Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Over de analyse van het productieproces


Voor het nu volgende onderzoek kunnen we afzien van het verschil tussen de productieprijs en de waarde, omdat dit verschil helemaal verdwijnt als, zoals hier gebeurt, de waarde wordt beschouwd van het totale jaarlijkse product van de arbeid, dus het product van het totale maatschappelijke kapitaal.


Winst (ondernemerswinst plus interest) en rente zijn niets anders dan de eigen vormen, die bijzondere delen van de meerwaarde van de waren aannemen. De grootte van de meerwaarde is de grens van de grootte van de delen waarin het uiteen kan vallen. Gemiddelde winst plus rente is daarom gelijk aan de meerwaarde. Het is mogelijk dat een deel van de meerarbeid in de waren, dus van de meerwaarde, niet direct wordt genivelleerd in de gemiddelde winst; zodat een deel van de warenwaarde helemaal niet in hun prijzen wordt uitgedrukt. Maar dit wordt ten eerste gecompenseerd door het feit dat ofwel de winstvoet toeneemt, wanneer de waar die onder zijn waarde wordt verkocht een element is van het constant kapitaal, of dat winst en rente vertegenwoordigd zijn in een groter product, wanneer de waren die onder hun waarde worden verkocht, als individuele consumptieartikelen opgenomen worden in het waardedeel dat als inkomen wordt verbruikt. Ten tweede heft zich dit op in de gemiddelde beweging. In elk geval, zelfs als een deel van de meerwaarde voor de prijsvorming dat niet in de prijs van de waren is uitgedrukt, verloren gaat, kan de som van de gemiddelde winst plus de rente in zijn normale vorm nooit groter zijn, ofschoon wel kleiner dan de totale meerwaarde. De normale vorm veronderstelt een arbeidsloon dat overeenstemt met de waarde van de arbeidskracht. Zelfs de monopolierente, voor zover deze niet een vermindering is van het arbeidsloon, dus geen bijzondere categorie vormt, moet indirect altijd deel uitmaken van de meerwaarde; indien het geen deel uitmaakt van het prijsoverschot ten opzichte van de productiekosten van de waar zelf, waarvan het deel uitmaakt, zoals bij de differentiaalrente, of een overtollig deel van de meerwaarde van de waren zelf, waarvan het een deel vormt, boven de eigen meerwaarde, gemeten aan de hand van de gemiddelde winst (zoals bij de absolute rente), dan toch van de meerwaarde van de andere waren, d.w.z. de waren die tegen deze waren worden geruild, dat een monopolieprijs heeft. – De som van gemiddelde winst plus grondrente kan nooit groter zijn dan de grootte, waarvan ze delen zijn en die al gegeven is. Of alle meerwaarde van de waren, d.w.z. alle in de waren vervatte meerarbeid, in de prijzen wel of niet worden gerealiseerd, is daarom voor onze analyse onbelangrijk. De meerarbeid wordt daarom niet geheel gerealiseerd, omdat met een voortdurende verandering van grootte, van de maatschappelijke noodzakelijke arbeid nodig voor de productie van een gegeven waar, komende uit de voortdurende verandering van de arbeidsproductiviteit, een deel van de waren altijd onder abnormale voorwaarden worden geproduceerd en daarom onder hun individuele waarde worden verkocht. In ieder geval is de winst plus rente gelijk aan alle gerealiseerde meerwaarde (meerarbeid), en voor de hier betreffende analyse, kan gerealiseerde meerwaarde worden gelijkgesteld met alle meerwaarde; want winst en rente zijn gerealiseerde meerwaarde, d.w.z. de meerwaarde die in de prijs van de waren aanwezig is, dus praktisch genomen alle meerwaarde die deel uitmaakt van deze prijzen.

Aan de andere kant is het arbeidsloon, de derde kenmerkende vorm van het inkomen, altijd gelijk aan het variabele deel van het kapitaal, d.w.z. het deel dat niet uitgegeven wordt aan arbeidsmiddelen, maar voor de aankoop van levende arbeid, ter betaling van de arbeiders. (De arbeid, betaald in de uitgifte van de revenu, wordt zelf betaald door het arbeidsloon, winst of rente en vormt daarom geen waardedeel van de waren, waarmee ze wordt betaald. Het wordt daarom niet meegenomen in de analyse van de warenwaarde en haar componenten.) Het is het concretiseren van het deel van de totale arbeidsdag van de arbeiders, waarin de waarde van het variabele kapitaal, dus de prijs van arbeid, wordt gereproduceerd; het deel van de warenwaarde, waarin de arbeider de waarde van zijn eigen arbeidskracht of de prijs van zijn arbeid reproduceert. De totale arbeidsdag van de arbeiders valt in twee delen uiteen. Een deel met de hoeveelheid arbeid, noodzakelijk om de waarde van zijn eigen levensmiddelen te reproduceren: het betaalde deel van zijn totale arbeid, het deel van zijn arbeid dat nodig is voor zijn eigen behoud en reproductie. Het hele overige deel van de arbeidsdag, al de overtollige hoeveelheid arbeid dat hij doet boven de waarde, gerealiseerd in de waarde van zijn arbeidsloon, is meerarbeid, onbetaalde arbeid, vertegenwoordigd in de meerwaarde van zijn totale warenproductie (en vandaar een overtollige hoeveelheid waren), meerwaarde die op zijn beurt weer uiteenvalt in de verschillende genoemde delen, in winst (ondernemerswinst plus interest) en rente.

Het totale waardedeel van de waren dus, waarin de totale arbeid van de arbeiders die gedurende een dag of een jaar toegevoegd is, wordt gerealiseerd, de totale waarde van het jaarlijkse product dat deze arbeid creëert, valt uiteen in de waarde van de arbeidslonen, winst en rente. Want deze totale arbeid valt uiteen in noodzakelijke arbeid, waarbij de arbeider het waardegedeelte van het product creëert, waarmee hij zelf wordt betaald, dus het arbeidsloon, en in onbetaalde meerarbeid, waardoor hij het waardegedeelte van het product creëert, dat de meerwaarde vertegenwoordigt en later splitst in winst en rente. Buiten deze arbeid verricht de arbeider geen arbeid, en naast de totale waarde van het product, die de vormen van arbeidsloon, winst en rente aanneemt, creëert hij geen waarde. De waarde van het jaarlijkse product, waarin zijn nieuwe arbeid, gedurende het jaar toegevoegd, is gelijk aan het arbeidsloon of de waarde van het variabel kapitaal plus de meerwaarde, dat opnieuw onder de vormen van winst en rente gesplitst wordt.

Het totale waardegedeelte van het jaarlijkse product dat de arbeider gedurende het jaar creëert, wordt uitgedrukt in de jaarlijkse waarde van de drie inkomsten, de waarde van het arbeidsloon, winst en rente. Het is duidelijk dat de jaarlijks gecreëerde productenwaarde, de waarde van het constant kapitaaldeel niet reproduceert, want de lonen zijn alleen gelijk aan de waarde van het variabel kapitaaldeel dat in de productie wordt voorgeschoten, en rente en winst zijn alleen gelijk aan de meerwaarde, het overschot aan waarde geproduceerd op de totale waarde van het voorgeschoten kapitaal, dat gelijk is aan de waarde van het constant kapitaal plus de waarde van het variabel kapitaal.


Voor het hier op te lossen probleem maakt het volstrekt niets uit dat een deel van de in de vorm van winst en rente veranderde meerwaarde, niet als revenu wordt verbruikt, maar dient voor accumulatie. Het deel ervan dat als accumulatiefonds wordt opgespaard, dient voor nieuw extra kapitaal, maar niet om het oude te vervangen, noch van de arbeidskracht, noch het geïnvesteerde kapitaal in de arbeidsmiddelen. Daarom kan hier eenvoudig worden verondersteld dat de inkomsten volledig naar de individuele consumptie gaan. Het probleem is dubbel.
Enerzijds: de waarde van het jaarlijkse product, waarin deze revenuen, arbeidsloon, winst, rente, worden verbruikt, bevat in zich een waardedeel, gelijk aan het waardedeel van het gebruikte constante kapitaaldeel. Het bevat dit waardegedeelte, behalve het waardegedeelte arbeidsloon, en het waardegedeelte dat zich opsplitst in winst en rente. Zijn waarde is dus = arbeidsloon + winst + rente + C, het constante waardedeel voorstellend. Hoe kan nu de jaarlijks geproduceerde waarde, die alleen = arbeidsloon + winst + rente is, een product kopen waarvan de waarde = (arbeidsloon + winst + rente) + C is? Hoe kan de jaarlijks geproduceerde waarde een product kopen dat een hogere waarde heeft dan zichzelf?
Anderzijds, als we afzien van het deel van het constant kapitaal dat niet in het product is opgenomen, en dus, zij het met verminderde waarde, nog steeds bestaat voor de jaarlijkse productie van de waren; als we voorlopig abstraheren van het aangewende maar niet verbruikte vaste kapitaal, dan is het constante deel van het voorgeschoten kapitaal in de vorm van grond- en hulpstoffen geheel in het nieuwe product opgegaan, terwijl een deel van het arbeidsmiddel volledig verbruikt is, is een ander deel slechts gedeeltelijk verbruikt, waarmee een deel van zijn waarde in de productie gebruikt is. Dit volledige deel van het constante kapitaal, geconsumeerd in de productie, moet in natura worden vervangen. Alle andere omstandigheden, met name de arbeidsproductiviteit, als onveranderd verondersteld, kost dezelfde hoeveelheid arbeid als voor zijn vervanging, d.w.z. het moet worden vervangen door een waarde-equivalent. Zo niet, dan kan de reproductie zelf niet op het oude niveau plaatsvinden. Maar wie zal deze arbeid uitvoeren, en wie doet het?


Bij de eerste moeilijkheid: “wie moet het gedeelte met constante waarde betalen dat in het product zit en met wat?” is verondersteld dat de waarde van het constant kapitaal, verbruikt in de productie, opnieuw verschijnt als een waardedeel van het product. Dit is niet in tegenspraak met de veronderstellingen van het tweede probleem. Want het is al in boek 1, hoofdstuk 5 (Het arbeidsproces en het proces van meerwaardevorming) aangetoond, hoe door de toevoeging van nieuwe arbeid, hoewel het de oude waarde niet reproduceert, maar er alleen aan toevoegt, alleen extra waarde tot stand brengt, terwijl de oude waarde in het product behouden blijft, maar dat dit gebeurt vanuit de arbeid, niet voor zover het waardecreërend is, dus arbeid in het algemeen, maar in functie van een bepaalde productieve arbeid. Er was dus geen extra arbeid nodig om de waarde van het constante deel in het product, waarin de revenu, d.w.z. de hele gedurende het jaar geproduceerde waarde, wordt besteed, te handhaven. Maar er is wel nieuwe extra arbeid nodig om het verbruikte constante kapitaal, gedurende het voorbije jaar, volgens zijn waarde en gebruikswaarde te vervangen, zonder welke vervanging de reproductie onmogelijk is.

Alle nieuwe toegevoegde arbeid wordt weergegeven in de waarde die gedurende het jaar is gecreëerd en die volledig wordt opgenomen in de drie inkomsten: arbeidsloon, winst en rente. – Enerzijds is er dus geen overtollige maatschappelijke arbeid over voor de vervanging van het geconsumeerde constant kapitaal, dat deels in natura en volgens zijn waarde, deels louter volgens zijn waarde (voor louter slijtage van vast kapitaal) kan worden hersteld. Anderzijds lijkt de waarde die jaarlijks door de arbeid wordt geproduceerd en in de vorm van arbeidsloon, winst en rente uiteenvallend, en de erin bestede waarde, niet voldoende om het constante deel van het kapitaal dat in het jaarproduct moet worden gestopt, buiten de eigen waarde, te betalen of te kopen.


Het is duidelijk dat het hier gestelde probleem al opgelost is in de beschouwing van de reproductie van het maatschappelijke totale kapitaal, boek 2, afd. III. We komen hierop terug, allereerst omdat daar de meerwaarde nog niet de vormen van de revenuen: winst (ondernemerswinst plus interest) en rente, ontwikkeld was en daarom niet in deze vormen kon worden behandeld; maar ook vanwege de vorm van het arbeidsloon, winst en rente, een ongelooflijke fout in de analyse verbindt, die sinds A. Smith de hele politieke economie heeft doordrongen.

We hebben daar alle kapitaal in twee grote klassen ingedeeld: klasse I, de productiemiddelen, en klasse II, die individuele consumptiemiddelen produceert. Het feit dat bepaalde producten evengoed kunnen dienen voor persoonlijk gebruik als voor een productiemiddel (een paard, graan, enz.), heft de absolute juistheid van deze indeling niet op. Het is inderdaad geen hypothese, maar slechts een uitdrukking van een feit. Neem het jaarproduct van een land. Een deel van het product, ongeacht het vermogen om als productiemiddel te dienen, komt in individuele consumptie terecht. Het is het product waarvoor arbeidsloon, winst en rente worden uitgegeven. Dit product is het product van een bepaalde afdeling van het maatschappelijk kapitaal. Het is mogelijk dat ditzelfde kapitaal ook klasse I producten produceert. Voor zover het dit doet, is het niet het deel van dit kapitaal dat wordt verbruikt in de producten van klasse II, producten die daadwerkelijk tot de individuele consumptie behoren, die de productief geconsumeerde producten van klasse I levert. Dit hele product II, dat wordt gebruikt voor individuele consumptie, en waarin de revenu wordt besteed, is de existentie van de daarin geconsumeerde kapitalen plus het geproduceerde overschot. Het is dus het product van een kapitaal dat alleen is geïnvesteerd in de productie van consumptiegoederen. En op dezelfde manier is afdeling I van het jaarlijkse product, dat als reproductiemiddel dient, grondstof en werktuigen, welke capaciteit dit product volgens zijn aard verder ook hebben mag, om te dienen als consumptiemiddel, product van een kapitaal dat geïnvesteerd is in de loutere productie van productiemiddelen. Verreweg het grootste deel van de producten die het constant kapitaal vormen, bestaat ook materieel in een vorm waarin het onbruikbaar is voor individuele consumptie. Voor zover dit kan, bv. voor zover een boer zijn zaaigoed kan eten, zijn trekvee kan slachten, enz., werkt de economische barrière voor hem op dezelfde wijze alsof dit deel niet bestaat in een te consumeren vorm.

Zoals we al hebben gezegd, abstraheren we in beide klassen van het vaste deel van het constant kapitaal, dat in natura en waarde blijft bestaan, onafhankelijk van het jaarlijkse product van beide klassen.

In klasse II, waarvan de producten arbeidsloon, winst en rente worden uitgegeven, kortom de revenuen verbruikt worden, bestaat het product, volgens zijn waarde, uit drie componenten. Eén component is gelijk aan de waarde van het constante kapitaalgedeelte dat wordt verbruikt in de productie; een tweede component is gelijk aan de waarde van het variabele deel van het in arbeidsloon geïnvesteerde kapitaal; ten slotte is een derde component gelijk aan de geproduceerde meerwaarde, dus = winst + rente. De eerste component van het product van klasse II, de waarde van het constante deel van het kapitaal, kan niet worden geconsumeerd door de kapitalisten, noch door de arbeiders van klasse II, noch door de grootgrondbezitters. Het maakt geen deel uit van hun inkomsten, maar moet in natura worden vervangen en moet worden verkocht om dit te laten gebeuren. Daarentegen zijn de andere twee componenten van dit product gelijk aan de waarde van de inkomsten die in deze klasse worden gegenereerd, = arbeidsloon + winst + rente.

In klasse I bestaat het product, volgens de vorm, uit dezelfde delen. Maar het deel dat hier inkomsten genereert, arbeidsloon + winst + rente, kortom het variabel kapitaalgedeelte + de meerwaarde, wordt hier niet geconsumeerd in de natuurlijke vorm van de producten van deze klasse I, maar in de producten van klasse II. De waarde van de revenuen van klasse I moet daarom worden verbruikt in dat deel van het product van klasse II dat het constant kapitaal van II vormt dat moet worden vervangen. Het deel van het product van klasse II, dat zijn constant kapitaal moet vervangen, wordt in zijn natuurlijke vorm geconsumeerd door de arbeiders, de kapitalisten en de grondeigenaren van klasse I. Zij plaatsen hun revenuen in dit product II. Aan de andere kant wordt het product van I in zijn natuurlijke vorm, voor zover het de revenu van klasse I vertegenwoordigt, productief geconsumeerd door klasse II, waarvan het constante kapitaal het in natura vervangt. Tenslotte wordt het verbruikte constante kapitaalgedeelte van klasse I vervangen door de eigen producten van deze klasse, die bestaan uit arbeidsmiddelen, grondstoffen en hulpmiddelen, enz., deels door het ruilen van de kapitalisten onder elkaar, deels door het feit dat sommige van deze kapitalisten hun eigen product direct opnieuw aanwenden als productiemiddel.


Nemen we het eerdere schema (boek 2, hoofdstuk 20, 2) van de eenvoudige reproductie:

I. 4.000c + 1.000v + 1.000m = 6.000
                                                                      } = 9.000
II. 2.000c + 500v + 500m = 3.000


Hiernaar wordt in II door de producenten en grondeigenaren 500v + 500m = 1.000 als revenu verbruikt; blijft 2.000c te vervangen. Dit wordt geconsumeerd door de arbeiders, kapitalisten en renteniers van I, waarvan het inkomen = 1.000v + 1.000m = 2.000. Het geconsumeerde product van II wordt als revenu van I geconsumeerd, en het niet-verbruikte product, vertegenwoordigt in het revenudeel van I, wordt als constant kapitaal door II geconsumeerd. Er blijft dus rekenschap af te leggen van die 4.000c bij I. Dit wordt vervangen uit het eigen product van I = 6.000, of liever = 6.000 – 2.000; want deze 2.000 zijn al omgezet in constant kapitaal voor II. Opgemerkt moet worden dat de aantallen willekeurig worden aangenomen en daarom lijkt de verhouding tussen de waarde van de inkomsten van I en de waarde van het constante kapitaal van II willekeurig. Het is echter duidelijk dat, voor zover het reproductieproces normaal is en onder gelijkblijvende omstandigheden, dat wil zeggen, afgezien van accumulatie, de som van arbeidsloon, winst en rente in klasse I gelijk moet zijn aan de waarde van het constant kapitaalgedeelte van klasse II. Anders kan klasse II zijn constant kapitaal niet vervangen, of klasse I kan zijn inkomsten niet omzetten van de niet-consumabel naar de consumabele vorm.

De waarde van de jaarlijkse warenproducten, net als de waarde van het warenproduct van een bepaalde kapitaalinvestering en de waarde van elke individuele waar, lost dus op in twee waardedelen: A, die de waarde van het voorgeschoten constante kapitaal vervangt, en B, in de vorm van inkomen als arbeidsloon, winst en rente. Het laatste waardedeel B vormt in zoverre een tegenstelling tot A, als deze onder gelijk blijvende omstandigheden, 1. nooit de vorm van inkomen aanneemt, 2. steeds in de vorm van kapitaal, van constant kapitaal, terugvloeit. Het andere bestanddeel B is echter in zichzelf weer tegengesteld. Winst en rente hebben met het arbeidsloon gemeen dat ze alle drie vormen van inkomen zijn. Niettemin onderscheiden zij zich in hoofdzaak door het feit dat in winst, rente, meerwaarde, zich onbetaalde arbeid presenteert en in het arbeidsloon betaalde. Het waardegedeelte van het product, dat het uitgegeven arbeidsloon weergeeft, en daarmee de lonen vervangt, en onder onze veronderstellingen, waarbij reproductie plaatsvindt op dezelfde schaal en onder dezelfde omstandigheden, zich terug in arbeidsloon verandert, stroomt om te beginnen terug als variabel kapitaal, als een bestanddeel van het door de reproductie opnieuw voor te schieten kapitaal. Dit bestanddeel fungeert dubbel. Het bestaat eerst in de vorm van kapitaal en ruilt zichzelf als zodanig tegen arbeidskracht. In de handen van de arbeiders, verandert het zich in inkomen, door de verkoop van zijn arbeidskracht, het wordt als inkomen omgezet in levensmiddelen en geconsumeerd. De bemiddeling van de geldcirculatie toont dit dubbele proces. Het variabel kapitaal wordt in geld voorgeschoten, in arbeidsloon uitbetaald. Dit is zijn eerste functie als kapitaal. Het wordt omgezet tegen arbeidskracht en verandert in de uiting van deze arbeidskracht, in arbeid. Dit is het proces voor de kapitalisten. Ten tweede kopen de arbeiders met dit geld een deel van hun warenproducten, afgemeten aan dit geld en door hen als inkomen wordt verbruikt. Als we de geldcirculatie wegdenken, is een deel van de producten van de arbeiders in handen van de kapitalisten in de vorm van beschikbaar kapitaal. Hij schiet dit deel voor als kapitaal, geeft het aan de arbeider voor nieuwe arbeidskracht, terwijl de arbeider het direct of door middel van ruil tegen andere waren als inkomen consumeert. Het waardedeel van de producten, door de reproductie bepaald, om te zetten in arbeidsloon, te veranderen in inkomen voor de arbeiders, vloeit eerst terug in de handen van de kapitalisten in de vorm van kapitaal, nauwkeuriger variabel kapitaal. Het feit dat het terugvloeit in deze vorm is een essentiële voorwaarde voor het feit dat arbeid als loonarbeid, het productiemiddel als kapitaal en het productieproces zelf als kapitalistisch altijd opnieuw worden gereproduceerd.

Als men niet betrokken wil raken bij nutteloze problemen, moet men de bruto-opbrengst en de netto-opbrengst onderscheiden van het bruto-inkomen en het netto-inkomen.

De bruto-opbrengst of het brutoproduct, is het totale gereproduceerde product. Met uitsluiting van het gebruikte, maar niet geconsumeerde deel van het vast kapitaal is de waarde van de bruto-opbrengst of het brutoproduct gelijk aan de waarde van het voorgeschoten en in de productie verbruikte kapitaal, constant en variabel, plus de meerwaarde, dat zich in winst en rente oplost. Of als men het niet als het product van het individuele kapitaal beschouwt, maar als van het totale maatschappelijke kapitaal, is de bruto-opbrengst gelijk aan de materiële elementen waaruit het constante en variabel kapitaal bestaat, plus de materiële elementen van het meerproduct, waarin winst en rente zijn belichaamd.

Het bruto-inkomen is het waardedeel en het deel van het brutoproduct of onbewerkt product dat overblijft na aftrek van de waardedelen en van de productendelen van de totale productie, dat het voorgeschoten en in productie verbruikte constante kapitaal vervangt. Het bruto-inkomen is daarom gelijk aan het loon (of het deel van het product bestemd om opnieuw het inkomen te worden van de arbeiders) + de winst + de rente.

Het netto-inkomen daarentegen is de meerwaarde en dus het meerproduct dat na aftrek van de arbeidslonen overblijft en feitelijk dus de door het kapitaal gerealiseerde en met de grondeigenaars te delen meerwaarde vormt en wordt weergegeven in het meerproduct.

We hebben gezien dat de waarde van elke afzonderlijke waar en de waarde van de totale warenproducten van elk individueel kapitaal in twee delen uiteenvalt; een dat slechts constant kapitaal vervangt, een ander, hoewel een deel ervan als variabel kapitaal terugvloeit, dus ook in de vorm van kapitaal terugvloeit, maar bestemd is om geheel in bruto-inkomen te veranderen en de vorm van arbeidsloon, winst en rente aan te nemen, waarvan de som het bruto-inkomen vormt. We hebben ook gezien dat dit het geval is met betrekking tot de waarde van het totale jaarlijkse product van een maatschappij. Een verschil tussen het product van de individuele kapitalist en de maatschappij vindt alleen plaats in zoverre: Vanuit het oogpunt van de individuele kapitalist verschilt het netto-inkomen van het bruto-inkomen, omdat dit het arbeidsloon omvat, het andere sluit dat uit. Als we naar het inkomen van de hele maatschappij kijken, bestaat het nationale inkomen uit arbeidsloon plus winst plus rente, m.a.w. het bruto-inkomen. Maar ook dit is een abstractie in die zin dat de hele maatschappij, op basis van de kapitalistische productie, zich op het kapitalistisch standpunt zet en daarom alleen de inkomsten uit winst en rente als netto-inkomen ziet.

Dit verklaart de fantasievolle overwegingen van de heer Say, die beweert dat al het bruto-inkomen van een natie oplost in het netto-inkomen of daar niet van verschilt, dat dit verschil verdwijnt vanuit het nationale standpunt, dat is de laatste en onvermijdelijke uitdrukking van het absurde dogma dat is gehandhaafd in de politieke economie sinds A. Smith, een dogma dat beweert dat in laatste instantie de waarde van de waren volledig wordt ontbonden in inkomen, arbeidsloon, winst en rente.[145]


Het is natuurlijk heel gemakkelijk om in te zien dat een deel van het product van elke afzonderlijke kapitalist moet worden omgezet in kapitaal (ook als we afzien van de uitbreiding van de reproductie of accumulatie), en niet alleen in variabel kapitaal, dat zelf weer in inkomen voor de arbeider, dus bestemd is om te veranderen in een vorm van revenu, maar in constant kapitaal dat nooit in inkomen kan veranderen. De meest oppervlakkige observatie van het productieproces maakt dit duidelijk. Het probleem begint zodra het productieproces als een geheel wordt beschouwd. Het feit dat de waarde van het volledige deel van het product, dat wordt verbruikt als revenu, in de vorm van arbeidsloon, winst en rente (waarbij het niet uit maakt of het individueel of productief wordt geconsumeerd), in feite in de analyse geheel opgaat in de waardesom, bestaande uit arbeidsloon plus winst plus rente, dus in de totale waarde van de drie revenuen, hoewel de waarde van deze productdelen net zo goed is als dat van wat niet in het revenu opgaat, een waardedeel bevat C, gelijk aan de waarde van het constant kapitaal dat het bevat, dus prima facie onmogelijk te beperken is door de waarde van het revenu: aan de ene kant het praktisch onmiskenbare feit, aan de andere kant de even onmiskenbare theoretische tegenspraak – deze moeilijkheid wordt het gemakkelijkst omzeild door de bewering dat de warenwaarde alleen schijnbaar, vanuit het standpunt van de individuele kapitalist, een waardedeel bevat dat verschilt van het bestaande deel in de revenuvorm. De frase: wat voor de ene verschijnt als revenu, is voor de andere kapitaal, bespaart ons verder nadenken. Maar hoe kan dan het oude kapitaal worden vervangen wanneer de waarde van het gehele product in de vorm van revenuen te consumeren is; en hoe de waarde van het product van elk individueel kapitaal gelijk kan zijn aan de waardesom van de drie revenuen plus C, het constant kapitaal, terwijl de som van de waarden van de producten van alle kapitalen gelijk is aan de waardesom van de drie revenuen plus 0 – dit lijkt natuurlijk een onoplosbaar raadsel en moet opgelost worden door te verklaren dat de analyse volledig incapabel is om de eenvoudige elementen van de prijs te ontrafelen, men moet tevreden zijn rond te waren in een foute kringloop en eindeloos verder te stappen. Zodat wat als constant kapitaal verschijnt, kan worden ontbonden in arbeidsloon, winst en rente, maar de warenwaarde, waarin arbeidsloon, winst en rente worden vertegenwoordigd, worden op hun beurt bepaald door arbeidsloon, winst, rente en zo verder tot in het oneindige.[146]


Het fundamenteel foute dogma, dat de waarde van de waren in laatste instantie kan worden herleid tot arbeidsloon + winst + rente, komt ook tot uitdrukking in het feit dat de consument in laatste instantie de totale waarde van het totale product moet betalen; of ook, dat de geldcirculatie tussen producenten en consumenten in laatste instantie gelijk moet zijn aan de geldcirculatie tussen de producenten zelf (Tooke); thesen, die allemaal even fout zijn als het principe waarop ze zijn gebaseerd.

De moeilijkheden die tot deze onjuiste en prima facie absurde analyse leiden, zijn in het kort de volgende:

1. Dat de basisverhouding van constant en variabel kapitaal en dus ook de natuur van de meerwaarde, en daarmee de hele basis van de kapitalistische productiewijze niet begrepen is. De waarde van elk deelproduct van het kapitaal, elke afzonderlijke waar, bevat een deel van de waarde = constant kapitaal, een deel van de waarde = variabel kapitaal (verandert in arbeidsloon voor de arbeider) en een waardedeel = meerwaarde (later gescheiden in winst en rente). Hoe is het dus mogelijk dat de arbeider met zijn arbeidsloon, de kapitalist met zijn winst en de grondeigenaar met zijn rente, waren koopt, waarvan elk niet alleen een van de drie delen bevat, maar alle drie op hetzelfde moment? En hoe is het mogelijk dat de waardesom van arbeidsloon, winst, rente, dus de drie bronnen van inkomsten samen, de waren kunnen kopen die noodzakelijk zijn voor hun consumptie, terwijl deze waren naast de totale waarde van de drie inkomens, een vierde waardedeel bevatten, namelijk constant kapitaal? Hoe kan men met een waarde van drie, een waarde van vier kopen?[147]
In boek 2, afdeling III hebben we het antwoord gegeven.

2. Dat de wijze waarop de arbeid nieuwe waarde toevoegt niet wordt begrepen, hoe het door een nieuwe waarde toe te voegen, de oude waarde een nieuwe vorm krijgt, zonder deze waarde opnieuw te produceren.

3. Dat de samenhang van het reproductieproces niet begrepen wordt, zoals het zich voordoet, niet vanuit het standpunt van het afzonderlijke kapitaal, maar vanuit dat van het totale kapitaal; het probleem wordt niet begrepen hoe het product waarin het arbeidsloon en de meerwaarde, kortom de gehele waarde die wordt geproduceerd door alle nieuwe toegevoegde arbeid gedurende het jaar, wordt gerealiseerd, het constante deel van zijn waarde vervangt en toch gelijktijdig oplost in een waarde, enkel begrensd door de inkomsten; bovendien hoe het constante kapitaal dat wordt verbruikt in de productie materieel en volgens de waarde kan vervangen worden door nieuw kapitaal, hoewel de totale som van de nieuwe toegevoegde arbeid alleen wordt gerealiseerd in arbeidsloon en meerwaarde en volledig aanwezig is in de som van de waarden van beide. Juist hier ligt het grootste probleem, in de analyse van de reproductie en de verhouding van de verschillende bestanddelen, zowel in hun materiële karakter als in hun waardeverhouding.

4. Maar er komt nog een moeilijkheid bij, die toeneemt zodra de verschillende componenten van de meerwaarde verschijnen in de vorm van tegenover elkaar staand zelfstandig inkomen. Namelijk, dat de vaste bepalingen van inkomsten en kapitaal onderling ruilen en van plaats veranderen, zodat het lijkt dat ze slechts relatieve bepalingen zijn vanuit het oogpunt van de individuele kapitalist, maar lijken te verdwijnen in het overzicht van het gehele productieproces. Bv., de inkomsten van de arbeiders en kapitalisten van klasse I, die constant kapitaal produceert, vervangt de waarde en het materiaal van het constant kapitaal van de kapitalisten van klasse II, die consumptiemiddelen produceren. Men kan daarom de moeilijkheid vermijden door te veronderstellen dat wat inkomsten voor de ene zijn, kapitaal is voor de andere en dat deze bepalingen daarom niets te maken hebben met de feitelijke bijzonderheid van de waardebestanddelen van de waar. Bovendien, waren die uiteindelijk bestemd zijn om de materiële elementen van de inkomensbesteding te zijn, dus consumptiemiddelen, doorlopen tijdens het jaar verschillende stadia, bv. wolgaren, laken. Enerzijds maken ze in een fase deel uit van het constant kapitaal, anderzijds worden ze individueel geconsumeerd en gaan ze volledig op in de inkomsten. Men kan zich dus zoals A. Smith voorstellen dat het constant kapitaal slechts een schijnbaar element is van de warenwaarde, dat verdwijnt in de algehele samenhang. Verder is er de ruil van het variabel kapitaal tegen inkomen. Door het gebruik van zijn arbeidsloon met het aankopen van een deel van de waren vervangt hij de geldvorm van het variabel kapitaal van de kapitalist. Ten slotte worden sommige producten die het constant kapitaal vormen, in natura of in ruil vervangen door de producenten van het constante kapitaal zelf; een proces waar de consumenten niets mee te maken hebben. Als men dit alles over het hoofd ziet, lijkt het erop dat het inkomen van de consumenten het hele product vervangt, dus ook het constante waardedeel.

5. Afgezien van de verwarring die de verandering van waarden in productieprijzen teweegbrengt, ontstaat er een andere, door de verandering van de meerwaarde in verschillende bijzondere vormen van revenu, winst en rente, die jegens elkaar zelfstandig zijn en die verband houden met de verschillende elementen van productie. Men vergeet dat de waarden van de waren de basis vormen en dat het uiteenvallen van deze warenwaarde in specifieke bestanddelen en de evolutie van deze waardebestanddelen in revenuvormen, hun transformatie naar verhoudingen van de verschillende bezitters van de verschillende productieagenten tot deze afzonderlijke waardebestanddelen, hun verdeling onder deze bezitters volgens bepaalde categorieën en titels, aan de waardebepaling en hun wet zelf helemaal niets verandert. Ook is de waardewet niet veranderd door het feit dat het nivelleren van de winst, d.w.z. de verdeling van de totale meerwaarde over de verschillende kapitalen, en de obstakels die gedeeltelijk (in de absolute rente) de grondeigendom van deze nivellering in de weg staat, waarbij de regulerende gemiddelde prijzen van de waren afwijken van hun individuele waarden. Nogmaals, dit heeft alleen invloed op het toewijzen van meerwaarde aan de verschillende warenprijzen, maar schaft de meerwaarde zelf en de totale waarde van de waren als bron van deze verschillende prijscomponenten niet af.


Het is dit quid pro quo [iets voor iets – vertaler], dat we in het volgende hoofdstuk bekijken, en noodzakelijkerwijs verband houdt met het schijnbare ontstaan van de waarde uit de eigen bestanddelen. Allereerst verwerven de verschillende waardebestanddelen van de waar in de revenuen een zelfstandige vorm en als zodanig worden het inkomsten, in plaats van de waarde van de waren als de bron, afkomstig van de bijzondere materiële productie-elementen. Ze staan er werkelijk mee in verband, maar niet als een waardebestanddeel, maar als revenu, als bepaalde categorieën van productie-agenten, arbeider, kapitalist, grondeigenaar, die de waardebestanddelen ten deel vallen. Men kan zich echter voorstellen dat deze waardebestanddelen, in plaats van te ontstaan uit de ontbinding van de warenwaarde, deze eerst ontstaat door het samenvoegen, waaruit vervolgens de prachtige foutieve kringloop komt, dat de waarde van de waar voortkomt uit de waardesom van het arbeidsloon, winst, rente; en de waarde van het arbeidsloon, winst, rente op zijn beurt wordt bepaald door de waarde van de waren, enz.[148]


Rekening houdend met de normale toestand van de reproductie, wordt slechts een deel van de nieuw toegevoegde arbeid aangewend voor de productie en daarmee vervanging van het constant kapitaal; namelijk het deel van het constant kapitaal dat wordt verbruikt bij de productie van consumptiemiddelen, de verbruikte materiële elementen van de revenuen. Dit wordt gecompenseerd door het feit dat dit constante deel van klasse II geen extra werk kost. Het constante kapitaal nu, dat is (gezien het totale reproductieproces, waarin de compensatie van klasse I en II is inbegrepen) geen product van de nieuw toegevoegde arbeid, hoewel dit product zonder haar niet kan gemaakt worden – dit constant kapitaal wordt tijdens het reproductieproces, materieel gezien, blootgesteld aan toevalligheden en gevaren die het kunnen decimeren. (Maar het kan ook worden ontwaard als gevolg van een verandering in de arbeidsproductiviteit; maar dit is alleen van toepassing op de individuele kapitalist.) Dienovereenkomstig dient een deel van de winst, dat wil zeggen de meerwaarde, dus ook het meerproduct, waarin (overeenkomstig de waarde), slechts nieuwe toegevoegde arbeid aanwezig is, als een verzekeringsfonds. Waarbij het niets verandert aan de aard van de kwestie of dit verzekeringsfonds door een verzekeringsmaatschappij wordt beheerd als een afzonderlijke onderneming, of niet. Dit is het enige deel van het revenue dat noch als zodanig wordt verbruikt, noch noodzakelijkerwijs dient als een accumulatiefonds. Of het daadwerkelijk als zodanig dient of alleen het verlies van de reproductie dekt, hangt van het toeval af. Dit is ook het enige deel van de meerwaarde en het meerproduct, dus meerarbeid dat, afgezien van het deel dat dient voor accumulatie, dat wil zeggen voor de uitbreiding van het reproductieproces, ook moet bestaan na de afschaffing van de kapitalistische productiewijze. Dit veronderstelt natuurlijk dat het gedeelte dat regelmatig door de directe producenten wordt geconsumeerd, niet tot het huidige minimum wordt beperkt. Afgezien van de meerarbeid voor deze die omwille van leeftijd nog niet, of niet langer, in staat zijn om deel te nemen aan de productie, valt alle arbeid weg om deze die niet werken te steunen.


Denkt men zich het begin van een maatschappij, dan bestaat er niet een geproduceerd productiemiddel, dus geen constant kapitaal waarvan de waarde in het product is opgenomen, dat, wanneer gereproduceerd op dezelfde schaal in natura wordt vervangen door het product, naarmate de waarde ervan. Maar de natuur geeft hier direct de levensmiddelen die niet eerst geproduceerd moeten worden. Zij geeft daarom de natuurmens, die maar weinig behoeften heeft, niet de tijd om de alsnog niet-productieve productiemiddelen voor nieuwe productie te gebruiken, maar wel naast de arbeid van het toe-eigenen van de van nature voorhanden zijnde levensmiddelen, de andere natuurlijke producten in een productiemiddel te veranderen, bv. bogen, stenen messen, boot, enz. Dit proces bij de natuurmensen, materieel bekeken, komt volledig overeen met de verandering van de meerarbeid in nieuw kapitaal. In het accumulatieproces vindt de transformatie van een dergelijk product van overtollige arbeid in kapitaal voortdurend plaats; en het feit dat al het nieuwe kapitaal bestaat uit winst, rente of andere vormen van inkomsten, d.w.z. het resultaat van meerarbeid, leidt tot het onjuiste idee dat alle waarde van de waren voortvloeit uit het revenu. Integendeel, deze verandering van winst in kapitaal, laat bij nadere analyse zien, dat de extra arbeid – die zich altijd presenteert in de vorm van inkomsten – niet bijdraagt tot het behoud, resp. reproductie van de oude kapitaalwaarde, maar, voor zover het niet als inkomen wordt verbruikt, dient om nieuw extra kapitaal te creëren.


De hele moeilijkheid vloeit voort uit het feit dat alle nieuwe extra arbeid, voor zover de gecreëerde waarde niet oplost in een arbeidsloon, verschijnt als winst – hier opgevat als een vorm van meerwaarde, d.w.z. als een waarde die de kapitalist niets heeft gekost, dat wil zeggen, geen kapitaal, ook geen geleend, om te vervangen. Deze waarde bestaat dus in de vorm van beschikbare bijkomende rijkdom, kortom, vanuit het oogpunt van de individuele kapitalist, in de vorm van inkomen. Maar deze nieuw gecreëerde waarde kan zowel productief als individueel worden geconsumeerd, evenals kapitaal en inkomsten. Een deel ervan moet al productief worden geconsumeerd in zijn natuurlijke vorm. Het is dus duidelijk dat de jaarlijks toegevoegde arbeid, zowel kapitaal als inkomen creëert; en dat dit zich manifesteert in het accumulatieproces. Maar het deel van de arbeidskracht, gebruikt voor de creatie van nieuw kapitaal (analoog aan het deel van de werkdag dat de natuurmens gebruikt, niet om het voedsel te vergaren, maar om gereedschap te maken waarmee hij het voedsel verwerft) wordt onzichtbaar, omdat het hele product van de meerarbeid zich eerst presenteert in de vorm van winst; een definitie die in feite niets te maken heeft met dit meerproduct, maar alleen verwijst naar de persoonlijke verhouding van de kapitalist met de geïnde meerwaarde. In feite valt de meerwaarde, die de arbeider creëert, uiteen in revenu en kapitaal; d.w.z. in consumptiemiddelen en in extra productiemiddelen. Maar het oude constante kapitaal, overgenomen van het voorgaande jaar (afgezien van het deel dat beschadigd is, dus pro tanto vernietigd, dat wil zeggen, voor zover het niet gereproduceerd moet worden, en dergelijke verstoringen van het reproductieproces vallen onder de verzekering), wordt volgens zijn waarde, niet gereproduceerd door de nieuwe extra arbeid.


Verder zien we dat een deel van de nieuwe toegevoegde arbeid constant wordt geabsorbeerd in de reproductie en vervanging van verbruikt constant kapitaal, hoewel deze nieuwe toegevoegde arbeid slechts oplost in revenuen, arbeidsloon, winst en rente. Er wordt echter over het hoofd gezien, 1. dat een deel van de waarde van het product van deze arbeid geen product is van deze nieuw toegevoegde arbeid, maar van een aangetroffen en geconsumeerd constant kapitaal; dat het productendeel waarin dit waardegedeelte zich voordoet, dus niet verandert in een revenu, maar in natura het productiemiddel van dit constant kapitaal vervangt; 2. dat het deel van de waarde waarin deze nieuw toegevoegde arbeid zich werkelijk voordoet, niet in natura als revenu geconsumeerd wordt, maar het constant kapitaal vervangt in een andere sector, waar het wordt omgezet in een natuurlijke vorm, waarin het kan worden geconsumeerd als inkomen; maar van zijn kant opnieuw niet uitsluitend een product is van nieuwe toegevoegde arbeid.

Voor zover de reproductie plaatsvindt op dezelfde schaal, moet elk versleten element van het constant kapitaal, zij het niet in aantal en vorm, maar van capaciteit, in natura worden vervangen door een nieuw exemplaar van dezelfde soort. Blijft de arbeidsproductiviteit hetzelfde, dan moet het nieuwe element van dezelfde waarde zijn, dat het constant kapitaal had in zijn oude vorm. Maar als de arbeidsproductiviteit toeneemt, zodat dezelfde materiële elementen met minder arbeid kunnen worden gereproduceerd, dan kan een kleiner waardedeel van het product het constante deel volledig in natura vervangen. Het overschot kan dan dienen om nieuw extra kapitaal te creëren, of een groter deel van het product kan de vorm van verbruiksgoederen worden gegeven, of de meerarbeid kan worden verminderd. Als daarentegen de arbeidsproductiviteit daalt, moet een groter deel van het product het oude kapitaal vervangen; het meerproduct neemt af.

De verandering van winst, of enige andere vorm van meerwaarde, in kapitaal – afgezien van de historisch bepaalde economische vorm en het louter beschouwen als eenvoudig de vorming van nieuwe productiemiddelen – laat zien dat de toestand nog steeds bestaat, waarin de arbeider, buiten zijn arbeid voor de directe levensmiddelen, arbeid aanwendt om productiemiddelen te produceren. De verandering van winst in kapitaal betekent niets meer dan een deel van de overtollige arbeid gebruiken voor het creëren van nieuwe, extra productiemiddelen. En het feit dat dit gebeurt in de vorm van de transformatie van winst in kapitaal betekent alleen dat het niet de arbeider is, maar de kapitalist die de overtollige arbeid tot zijn beschikking heeft. Dat deze overtollige arbeid een fase moet doorlopen waarin het lijkt alsof het een revenu is (terwijl het bv. bij de natuurmens verschijnt als overtollige arbeid die direct gericht is op de productie van productiemiddelen) betekent alleen dat deze arbeid of zijn product wordt toegeëigend door niet-werkenden. Maar wat feitelijk in kapitaal wordt omgezet, is geen winst als zodanig. De transformatie van meerwaarde in kapitaal betekent slechts dat de meerwaarde en het meerproduct door de kapitalisten niet als inkomen individueel geconsumeerd wordt. Maar wat echt veranderd is, is de waarde, de gematerialiseerde arbeid, resp. het product waarin deze waarde onmiddellijk aanwezig is of waartegen, na een voorafgaande verandering in geld, wordt geruild. Ook als de winst wordt omgezet in kapitaal, is het niet deze specifieke vorm van meerwaarde, winst, die de bron is van nieuw kapitaal. De meerwaarde wordt alleen van de ene vorm in de andere getransformeerd. Maar het is niet deze transformatie van vorm die het in kapitaal verandert. Het is de waar en zijn waarde die nu als kapitaal fungeren. Maar dat de waarde van de waar niet wordt betaald – en alleen daardoor wordt het een meerwaarde – is voor de materialisatie van de arbeid, de waarde zelf, volstrekt onverschillig.

De misvatting komt in verschillende vormen tot uiting. Bv. dat de waren waaruit het constant kapitaal bestaat ook elementen van arbeidsloon, winst en rente bevatten. Of dat wat het revenu voor de een vertegenwoordigt, kapitaal is voor de ander, en daarom slechts subjectieve verhoudingen zijn. Het garen van de spinner bevat dus een waardegedeelte dat voor hem winst voorstelt. Dus als de wever het garen koopt, realiseert hij de winst van de spinner, maar voor hem is dit garen slechts een deel van zijn constant kapitaal.

Naast het eerder ontwikkelde over de verhouding tussen revenu en kapitaal, moet hier worden opgemerkt: wat qua waarde samen met het garen als een bestanddeel naar het kapitaal van de wever gaat, is de waarde van het garen. Hoe de delen van deze waarde zich ontbinden in kapitaal en revenu, met andere woorden in betaalde en onbetaalde arbeid, is voor de spinner volledig onbelangrijk voor de waardebepaling van de waar zelf (afgezien van de wijzigingen door de gemiddelde winst). Hier sluimert altijd op de achtergrond het idee dat winst, dus meerwaarde, een overschot is op de waarde van de waar en alleen wordt gemaakt door een toeslag, wederzijds bedrog, een winst gerealiseerd met de verkoop. Door de productieprijs of zelfs de waarde van de waren te betalen, worden uiteraard de waardecomponenten van de waren betaald, die voor de verkoper de revenuvorm aanneemt. Van monopolieprijzen is hier natuurlijk geen sprake.

Ten tweede is het volkomen correct dat de warenbestanddelen, waaruit het constant kapitaal bestaat, evenals alle andere warenwaarde, herleidbaar zijn, die voor de producenten en eigenaren van de productiemiddelen opgaan in arbeidsloon, winst en rente. Dit is slechts de kapitalistische wijze van uitdrukking van het feit dat alle warenwaarde slechts de maatstaf is van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid in een waar. Maar in het eerste boek is al aangetoond dat dit niet verhindert dat het warenproduct van elk kapitaal wordt opgesplitst in afzonderlijke delen, waarvan één uitsluitend het deel met constant kapitaal vertegenwoordigt, een ander het variabele deel van het kapitaal en een derde alleen de meerwaarde.

Storch drukt de mening van vele anderen uit wanneer hij zegt:

“Les produits vendables qui constituent le revenu national doivent être considérés dans l’économie politique de deux manières différentes: relativement aux individus comme des valeurs; et relativement à la nation comme des biens; car le revenu d’une nation ne s’apprécie pas comme celui d’un individu, d’aprés sa valeur, mais d’aprés son utilité ou d’aprés les besoins auxquels il peut satisfaire.” [“De verkoopbare producten waaruit het nationaal inkomen bestaat, moeten op twee verschillende manieren in de politieke economie worden beschouwd: in hun verhouding tot individuen als waarde en in hun verhouding tot de natie als goederen; want het inkomen van een natie wordt niet geschat, zoals het inkomen van een individu, op basis van zijn waarde, maar op basis van zijn nut of behoefte waaraan het kan voldoen.”] (Consid. sur la nature du revenu national, p. 19.)

Ten eerste is het een foute abstractie, een natie waarvan de productiewijze gebaseerd is op waarde, kapitalistisch georganiseerd, te zien als een organisme dat alleen werkt voor nationale behoeften.

Ten tweede, na de opheffing van de kapitalistische productiewijze, maar met behoud van de maatschappelijke productie, blijft de waardebepaling overheersend in die zin dat de regulering van de arbeidstijd en de verdeling van de maatschappelijke arbeid tussen de verschillende productiegroepen – uiteindelijk de boekhouding – belangrijker dan ooit wordt.

_______________
[145] Ricardo maakt de volgende zeer goede opmerking over de gedachteloze Say. “Over het nettoproduct en het brutoproduct zegt meneer Say het volgende: ‘De totale geproduceerde waarde is het brutoproduct; na aftrek van de productiekosten is deze waarde het nettoproduct!’ (Vol. II, p. 491.) Dan kan er geen nettoproduct zijn, omdat volgens de heer Say de productiekosten bestaan uit rente, lonen en winst. Op pagina 508 zegt hij: ‘De waarde van een product, de waarde van een productieve dienst, de waarde van de productiekosten, zijn allemaal dezelfde waarden, zolang men de dingen hun natuurlijke loop laat.’ Neem een geheel van een geheel en niets blijft over.” (Ricardo Principles, chap. XXXII, p. 512, noot.) – Overigens, zoals later zal blijken, heeft Ricardo nergens de foute analyse van Smith van de warenprijs, zijn oplossing in de som van de waarde van de revenuen weerlegt. Hij geeft er niet om en acht zijn analyse juist, omdat hij “abstraheert” van het constante waardedeel van de waren. Hij valt ook van tijd tot tijd terug op dezelfde manier van denken.
[146] “In elke maatschappij lost de prijs van elke waar uiteindelijk op in de een of de ander, of in al deze drie delen” (namelijk arbeidsloon, winst, rente). “... Een vierde deel kan nodig lijken om het kapitaal van de pachter te vervangen of om de slijtage van zijn werkdieren en ander akkertuig te vervangen. Maar er moet rekening worden gehouden met het feit dat de prijs van elk akkertuig, bv. een werkpaard, zelf samengesteld is uit de drie bovengenoemde delen: de rente van het land waarop het is gefokt, het fokken en de winst van de pachter, die alle twee voorschiet, de rente van het land en het loon van dit werk. Hoewel dus de prijs van het graan zowel de prijs als de kost van het onderhoud van het paard kan vervangen, wordt de hele prijs nog steeds direct of in laatste instantie, opgesplitst in dezelfde drie delen: grondrente, arbeid” (d.w.z. loon) “en winst.” (A. Smith.) We zullen later laten zien hoe A. Smith zelf de tegenspraak en de ontoereikendheid van deze uitvlucht aanvoelt, want het is niets meer dan een uitvlucht om ons van Pontius naar Pilatus te sturen, hoewel hij nergens de echte kapitaalinvestering toont waarin de prijs van het product ultimately [in laatste instantie] in deze drie delen oplost zonder verdere progressus [vooruitgang].
[147] Proudhon drukt zijn onvermogen uit om dit te begrijpen in de geborneerde formule: l’ouvrier ne peut pas racheter son propre produit [de arbeider kan zijn eigen product niet terugkopen], omdat het de rente bevat die aan de prix de revient [kostprijs] is toegevoegd. Maar hoe corrigeert de heer Eugène Forcade hem? “Als het bezwaar van Proudhon juist is, zou het niet alleen de winst van het kapitaal beïnvloeden, maar zelfs het bestaan van de industrie vernietigen. Als de arbeider wordt gedwongen om 100 te betalen waarvoor hij slechts 80 heeft ontvangen, als het loon van een product alleen de waarde kan terugkopen die hij eraan heeft toegevoegd, betekent dit dat de arbeider niets kan terug kopen, dat met het loon niets kan betaald worden. In feite bevat de kostprijs altijd iets meer dan het loon van de arbeiders en de verkoopprijs iets meer dan de winst van de ondernemer, bv. de grondstoffenprijs, die vaak wordt betaald aan het buitenland ... Proudhon is de voortdurende groei van het nationaal kapitaal vergeten, hij is vergeten dat deze groei voor alle werkenden geldt, voor de ondernemer en voor de arbeider.” (Revue des deux Mondes, 1848, t. 24, pp. 998, 999.) Dit is de mooiste vorm van optimisme onlosmakelijk verbonden met de leegte van de burgerlijke conceptie. Eerst gelooft de heer Forcade dat de arbeider niet kan leven als hij geen waarde ontvangt die hoger is dan de door hem geproduceerde waarde, terwijl omgekeerd de kapitalistische productiewijze onmogelijk zou zijn als hij echt de waarde zou krijgen die hij produceert. Ten tweede generaliseert hij correct de moeilijkheid die Proudhon slechts vanuit een beperkt gezichtspunt tot uitdrukking brengt. De prijs van de waar bevat niet alleen een overschot op het arbeidsloon, maar ook op de winst, namelijk het constante deel van de waarde. Dus kan ook de kapitalist volgens de redenering van Proudhon, de waren met zijn winst niet terugkopen. En hoe lost Forcade het raadsel op? Door een zinloze frase – de groei van kapitaal. Dus moet de constante groei van het kapitaal onder meer daarin vast te stellen zijn, dat een analyse van de warenprijzen, dat met een kapitaal van 100 voor de politieke economen onmogelijk is, overbodig wordt met een kapitaal van 10.000. Wat zou men zeggen van een chemicus die op de vraag: hoe komt het dat het bodemproduct meer koolstof bevat dan de bodem? Het antwoord geeft: dit komt door de constante groei van de bodemproductie. De welwillende goede wil om het beste van alle mogelijke werelden in de burgerlijke wereld te ontdekken, vervangt in de vulgaire economie elke noodzakelijke waarheidsliefde en de wetenschappelijke drang naar onderzoek.
[148] “Het circulerend kapitaal dat wordt geïnvesteerd in materialen, grondstoffen en eindproducten, is zelf samengesteld uit waren waarvan de noodzakelijke prijs uit dezelfde elementen bestaat; op zo’n manier dat het beschouwen van de totaliteit van waren in een land het een onnodige herhaling zou zijn om dat deel van het circulerend kapitaal te rekenen tot de elementen van de noodzakelijke prijs.” (Storch, Cours d’éc. Pol., II, p. 140.) – Onder deze elementen van het circulerend kapitaal begrijpt Storch (het vaste is alleen het in vorm veranderde circulerende) het constante waardedeel. “Het is waar dat het loon van de arbeiders, evenals het deel van de winst van de ondernemers, dat bestaat uit lonen – als men ze beschouwt als een deel van de levensmiddelen – ook bestaat uit waren gekocht tegen marktprijs, die zelf lonen, kapitaalrenten, grondrenten en ondernemerswinsten omvatten ... deze vaststelling dient alleen om te bewijzen dat het onmogelijk is om de noodzakelijke prijs op te splitsen in zijn eenvoudigste elementen.” (ib., noot.) – In zijn Considérations sur la nature du revenu national (Paris 1824) ziet Storch, in zijn polemiek tegen Say, wel de absurditeit van de foutieve analyse van de warenwaarde, die het slechts oplost in revenuen, en spreekt over de absurditeit van deze resultaten – niet vanuit het standpunt van de individuele kapitalist, maar van een natie, maar hij gaat zelf niet verder in de analyse van de prix necessaire [noodzakelijke prijs], waarvan hij in zijn Cours verklaart dat het onmogelijk is om het in zijn echte elementen te veranderen, in plaats van het op te lossen in een foute voortgang tot in het oneindige. “Het is duidelijk dat de waarde van het jaarlijkse product enerzijds wordt verdeeld in kapitaal, anderzijds in winst, en dat elk van deze waardedelen van het jaarlijkse product regelmatig de producten zal kopen die de natie nodig heeft, zowel om het kapitaal te behouden als om de voorraad voor consumptie te vernieuwen.” (pp. 134, 135.) ... “Kan zij” (een voor zichzelf werkende boerenfamilie) in haar schuren of stallen wonen, haar zaaigoed en veevoer eten, zich kleden met het vee, zich vermaken met het akkertuig? Volgens de leer van meneer Say moet men al deze vragen met ‘ja’ beantwoorden.” (pp. 135, 136) ... “Wanneer men toegeeft dat de revenu van een natie gelijk is aan zijn brutoproduct, d.w.z. dat er geen kapitaal in mindering te brengen is, is het ook noodzakelijk om toe te geven dat deze natie onproductief de hele waarde van haar jaarlijkse product kan consumeren, zonder de toekomstige revenuen te benadelen.” (p. 147.) “De producten die het kapitaal van een natie vormen, zijn niet consumeerbaar.” (p. 150.)