Geert De Clercq

Ecologische beweging en arbeidersbeweging


Bron: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 1982, nr. 5, december, jg. 16
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA

       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Rudolf Bahro’s contradictorische kritiek van het “werkelijk bestaande socialisme”
Globalisering, rechtvaardigheid en milieu
Productivisme en ecologie


In het VMT, april ’82 verscheen een artikel van Paula Burghgraeve over Agalev en de arbeidersstrijd. Dit kan niet onbeantwoord blijven, omdat het beeld dat zij van Agalev (en de hele ecologische beweging) schetst veel te onjuist is.[1] Indien een dergelijk beeld ingang zou vinden in bredere kringen zou de door PB zo gevreesde kloof tussen de arbeiders- en de ecologische beweging nog groter kunnen worden. Om dit te vermijden, volgende correcties.


De grootste fout die ze maakt is het voortdurend dooreen haspelen van de ecologische beweging (de ecologisten, de groenen,...) en de ecologische partij (Agalev). Dit is te wijten aan haar nogal beperkte documentatie: twee programmabrochures van Agalev en enkele nummers van De Groenen. Nu is het methodologisch zeker verdedigbaar deze teksten te toetsen op hun interne consistentie én aan de ideologie van de beweging Agalev (hoewel ze daarover geen bronnen geeft), maar dan moet men daar ook bij blijven. PB scheert hier echter de hele ecologische beweging over dezelfde kam, alsof deze alleen zou bestaan uit Agalev!

Een sociale beweging is iets anders dan een politieke partij. Als vanuit ecologische hoek de marxistische of socialistische visie zou gereduceerd worden tot en beoordeeld op zeg maar twee programmateksten van de KPB, zouden de marxisten met recht moord en brand schreeuwen.

Net zoals de vakbeweging heeft de ecologische beweging een brede theoretische achtergrond,[2] een sociale basis, en een politieke uitdrukking. En net zoals in de arbeidersbeweging is niet iedere militant of leider goed thuis in de theorieën die achter de beweging zitten. Agalev stelt nederig dat al zijn standpunten voorlopig zijn; ze hebben trouwens nog niet voldoende mensen om alle dilemma’s waarvoor een politieke beweging staat in al hun consequenties door te denken, dit had voor PB een reden kunnen zijn om terug te grijpen naar de theorie die achter de beweging steekt.


Tot zover de methodologische aanpak van PB. Ook de inhoud van haar betoog doet onrecht aan het ecologische gedachtegoed. Dat de standpunten van de “groenen” op zovele plaatsen fundamenteel verschillen van die van de marxisten is voor PB een aanleiding om hen algauw in te delen bij de tegenstanders, i.p.v. dit te zien als een normale dialectische ontwikkeling van de ideeëngeschiedenis.

Het marxisme was een antwoord op de condities van het vroege concurrentie- en monopoliekapitalisme. Dit kapitalisme heeft echter niet stilgestaan, wat het marxisme voortdurend noopte tot correcties op het paradigma. Dit was nodig om de verklaringskracht te behouden, ook al kwamen daardoor fundamentele marxistische dogma’s in de verdrukking. Maar ook de strategische voorspellingen en richtlijnen kwamen niet uit. Het proletarisch internationalisme bleek niet opgewassen te zijn tegen het kapitalistische nationalisme, het democratisch centralisme en de idee van een verlichte voorhoede (Lenin) gaven geen garanties voor een democratische maatschappij, en de arbeider in het Westen had lak aan klassentegenstellingen zolang hij z’n huis, auto en tv maar afbetaald kreeg.

Hoe sterk het marxistisch analysemodel nu ook is, al deze feitelijke evoluties schreeuwden om een nieuwe theorie, een nieuwe beweging, die met vers elan de tegenstellingen van de industriële samenleving zou problematiseren. Zo verklaren de marxistische strategische mislukkingen ten dele waarom de ecologisten een zo sterke nadruk leggen op de mentaliteitswijzigingen, op de ethische bewustwording van iedereen. De marxisten hebben decennia lang gesteld dat éérst de economische structuren van een samenleving moeten veranderd worden. De massa zou dan wel volgen, want haar denkbeelden waren toch maar een product van de economische infrastructuur.

Doch dan rees het probleem wie die structuren moest veranderen. En vermits men het politiseren van de gehele massa had afgeschreven kwam men bij een revolutionaire, “verlichte” voorhoede terecht. Dit dilemma, waar Lenin en zijn adepten géén problemen mee hadden, heeft de niet-autoritaire marxisten voor een gewetensvraag gesteld waar ze nooit uitgeraakt zijn. Als men de manipulatie van de massa door een kleine groep wil vermijden dan moet men, tegelijkertijd voor structuur- én mentaliteitswijzigingen strijden, en radicaal alle vormen van democratisch centralisme vervangen door een basisdemocratische opstelling.

Een ander verwijt dat PB de groenen stuurt (ze spreekt in de betreffende §7 ook van ecologisten, maar niet meer over Agalev) is dat ze het verschil tussen groei mét en groei zonder privébezit van de productiemiddelen niet zouden zien, m.a.w. dat ze het niet hebben voor het reëel bestaande socialisme (in haar verdediging, waarvan zij zeer ethisch wordt, nog een verwijt dat ze aan Agalev richt).

Een nadere kennismaking met de ecologische theorie zou haar geleerd hebben waarom de ecologisten niet zo hoog oplopen met de Sovjet-Unie. De ecologische theoretici van het eerste uur (Commoner, Schumacher) richtten zich bij gebrek aan informatie, vooral tegen het kapitalistische groeidenken. Toen de eerste rapporten over de biologisch-ecologische situatie in de Sovjet-Unie doorsijpelden[3] richtte die kritiek zich ook tegen de Sovjet-Unie, wat hen het wantrouwen van links op de hals haalde. Voor vele marxisten is en blijft het Oostblok ondanks alles de incarnatie van de linkse hoop op beter, en wie daar aan durft raken wordt als rechts gecatalogeerd. Nochtans, lang voordat de ecologisten wezen op de vernieling van de natuur in de Sovjet-Unie was het “communistisch” systeem ginder fundamenteel in vraag gesteld. A. Camus doorbrak in ’51 met zijn l’Homme Révolté het taboe dat binnen links rustte van kritiek op de Sovjet-Unie. Toen hij betoogde dat de Sovjet-Unie een totalitaire staat was kostte hem dat een breuk met Sartre, en een verbanning uit het links-intellectuele Franse leven. Toen A. Schaff (toenmalig lid van het centraal comité van de Poolse KP) in ’65 aantoonde dat de vervreemding in het reële socialisme ook bestond, rekende hij radicaal af met de gedachte dat de vervreemding een logisch, i.p.v. een empirisch probleem zou zijn.

Wie aan de lopende band werkt ondergaat de vervreemding en dan maakt het niets uit of die dan privé- dan wel gemeenschapsbezit is.[4] Het enige verschil tussen de Sovjet-Unie en het Westen zijn de beheersingsmechanismen. In het Westen worden de mensen zoet gehouden met een waanzinnige stroom consumptiegoederen. Elk sociaal verzet wordt ingekapseld vóór het echt gevaarlijk wordt en later geïnstitutionaliseerd. Het Oostblok, dat nog niet de middelen heeft om z’n inwoners murw te voeren kiest voor de directe repressie.

De ecologische beweging is dan op zoek gegaan naar wat de kapitalistische samenleving en die in het Oostblok gemeen hebben, en dat bleek de industriële productiewijze (IPW) te zijn, een grootschalig, gecentraliseerd productiesysteem, dat in beide samenlevingsvormen dezelfde funeste gevolgen heeft voor mens en natuur. Het argument dat de grootschalige industrialisering een noodzakelijkheid is om de schaarste op te heffen (PB p. 17) is een drogreden; Mao heeft 700 miljoen Chinezen uit de honger en de ellende gehaald met een gedecentraliseerde en kleinschalige productiewijze, waarbij de heteronome sector sterk teruggedrongen werd. Mao kon dat o.a. omdat hij geen hegemonie nastreefde, wat van het Westers – en het Sovjetblok niet kan gezegd worden. Jammer genoeg keert Deng Xiaoping deze trend nu om.

De huidige structuur van de productiemiddelen kan onmogelijk gebruikt worden in een ecosocialistische samenleving. Een socialistische maatschappij met multinationals, kerncentrales en bandproductie is een contradictio in terminis; dergelijke apparaten laten geen democratisch beheer toe. Daarom moet de strijd voor andere productieverhoudingen gepaard gaan met de strijd voor andere productiemiddelen, omdat deze laatste de eerste fundamenteel bepalen.

Om deze redenen kan de afschaffing van het privébezit niet meer als dé oplossing voorgesteld worden. Dit is een conclusie die de ecologische beweging willens nillens uit de geschiedenis heeft moeten trekken. Toegegeven, de ecologische theoretici zijn nog lang niet klaar met een alternatief, zulke zaken werk je trouwens niet zomaar uit op papier. De totale afschaffing van het privébezit is totnogtoe slechts een theoretische simulatie gebleven, en ook in de Sovjet-Unie heeft men oogluikend privébezit ook op kleine schaal moeten toestaan; de Polen zouden trouwens nu al verhongerd zijn als er geen privéboeren waren.

Privé bezit is een kwestie van schaal.[5] Er is niets immoreel aan het privébezit van de zelf werkende eigenaar, aan de metselaar, de camionchauffeur of de tandarts die z’n eigen werktuigen bezit. Het zal hem aanzetten zorg te dragen voor zijn materialen en zijn werk zo efficiënt mogelijk te organiseren. Het privébezit wordt slechts onrechtvaardig als een eigenaar arbeiders tewerkstelt, en de door hun voortgebrachte meerwaarde voor zichzelf afroomt. Daarom moeten bedrijven die de samenwerking van minstens twee personen en het gebruik van meer en grotere productiemiddelen vereisen, op coöperatieve basis georganiseerd worden, m.a.w. arbeiderszelfbeheer, zoals bv. het LIP-experiment in Frankrijk.[6] De producent/eigenaars bepalen dan in gemeenschappelijk overleg wat, hoe, waar en hoeveel er geproduceerd wordt. Ondernemingen, die enkel op zeer grote schaal kunnen georganiseerd worden (hoogovens, raffinaderijen, staalfabrieken), kunnen dan volgens een vorm van gemeenschapseigendom georganiseerd worden, (analoog aan de huidige manier waarop nationalisatie doorgevoerd wordt) met politieke controle vanwege de gemeenschap.

De kleine, de midden en de grote schaal stellen telkens andere eisen aan een of andere vorm van eigendom. Het privé bezit dat dan op kleine schaal nog bestaat moet dan wel gezien worden binnen een juridische, politieke en economische context die concurrentie en uitbuitingsverhoudingen onmogelijk maakt.

In hun ontwerpen voor een dualistische maatschappij gaan Gorz en Illich er trouwens van uit dat ook de autonome productiemiddelen gemeenschapseigendom zullen zijn.


Maar ondertussen zijn we ver van de werkelijkheid afgedwaald, en deze is dat de arbeidersbeweging en de ecologische beweging wantrouwig, en soms zelfs vijandig tegenover mekaar staan, tot groot plezier van technocraten en kapitalisten. De reden is dubbel.

In de sociale arena komen de eisen i.v.m. werkgelegenheid en die i.v.m. milieu veelal tegenover elkaar te staan. Daarbij kiezen de werknemers niet zelden de kant van hun broodheren, wat tot paradoxale situaties leidt, zoals werknemers van Doel of Mol, die volledig achter hun baas staan, of Houthuys die de nucleaire optie verdedigt in de nationale adviesraden voor energie. Kerncentrales of chemische fabrieken bedreigen nochtans niet alleen het leefmilieu van diezelfde arbeiders en burgers, ook vanuit het standpunt van de werkgelegenheid of de vakbondsautonomie zijn dergelijke fabrieken niet te verdedigen. De ecologische beweging verzet zich niet alleen tegen de grootschalige industrie omdat deze het leefmilieu vervuilt, maar ook omdat hun omvang hen volkomen ongeschikt maakt voor zelfbeheer, omdat hun centralisatie en internationalisatie de macht van de vakbeweging tot de werk- en loonvoorwaarden beperkt, omdat burgers en arbeiders geen informatie over de impact van de investeringsbeslissingen krijgen, omdat... – ja, zo kunnen we nog een boekje vullen.

Maar ook op theoretisch vlak staan marxisme en politieke ecologie tegenover elkaar. Het marxisme heeft decennia lang het monopolie gehad van de sociale kritiek, sinds het anarchisme als theorie werd weg gemanipuleerd. Het kapitalisme bleef echter immuun voor de rationalisaties vanwege het marxisme, en de arbeidersbeweging slaagde er niet in de hegemonie van haar klassetegenstander, de bourgeoisie, te doorbreken.

Ondanks de vele paradigma-correcties blijft het marxisme als analysemodel nog steeds het meest bruikbare; het heeft echter z’n mobiliserende en profetische kracht voor de massa verloren. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat een nieuw model zich opdringt, ondanks de zelfbeschermingsreflex van sommige marxistische theoretici.

De ecologische theorie is nog jong; ze steunt op een hele reeks auteurs uit de jaren vijftig en zestig[7] die – al dan niet uit marxistische hoek – vele kritieken leverden op de welvaartsideologie die zowel door links als door rechts aangehangen werd. Na een incubatieperiode van ongeveer één decennium en een uitbarsting in ’68, werden de verschillende elementen samengeraapt tot een min of meer coherente theorie die nu als ‘politieke ecologie’ doorgaat (ps. Het marxisme kende een analoge ontstaansgeschiedenis).

Deze ecologische theorie irriteert sommige marxisten op twee manieren. Enerzijds om haar zogezegde vaagheid en anderzijds om de manier waarop zij vele oude marxistische dilemma’s in een nieuwe synthese overwint. Jammer genoeg is er binnen het bestek van dit artikel geen ruimte genoeg om daar dieper op in te gaan. De teneur van de meeste besprekingen van de ecologische theorie door de marxisten is die van: “een interessante aanvulling op ons paradigma”, of: “Marx had dat ook al gezegd, maar niet zo expliciet.”

Hiervoor herleiden ze de ecologische beweging tot wat ze in den beginne was: een groep burgers uit de middenklassen die verontrust werden door de milieuvervuiling. In het licht van de politisering die de ecologische beweging sinds begin en midden van de jaren zeventig heeft ondergaan is dit een onaanvaardbare reductie. Deze verontruste middenklassen hebben de stoot gegeven aan de ecologische beweging, zoals de geschoolde arbeiders dat deden voor het proletariaat van de 19e eeuw, maar men kan ze niet langer als de draagsters van de ecologische beweging zien.

Toch zou het fout zijn beide bewegingen als homogene blokken te aanzien. De politieke oriëntaties binnen de arbeidersbeweging schommelen tussen voor zelfbeheer en voor basisdemocratie strijdende groepen en het platste biefstukkensocialisme (1,5 % meer vakantiegeld). Binnen de ecologische beweging bestaat er een zelfde continuüm, met links de politieke ecologisten, en rechts de milieubeschermers die zich met zeer veel overtuiging en inzet tegen de kerncentrale of het afvalstort in hun achtertuin verzetten, maar zich geen moer aantrekken van wat er vijftig km verder gebeurt.

Het is mijn overtuiging dat de groepen die in beide bewegingen ter linkerzijde van het spectrum staan elkaar moeten vinden in een gezamenlijke antitechnocratische strijd, waarbij ze diegenen van hun medestanders die vooral uit weloverwogen eigenbelang strijd voeren, moeten proberen te politiseren en mobiliseren.

Daarvoor zal het marxisme echter nog een dogma moeten laten vallen, nl. dat de arbeidersklasse de enige klasse zou zijn die draagster is van sociale veranderingen. Het laatkapitalisme heeft zich, naast de nieuwe groeipolen kernenergie, luchtvaartindustrie en micro-elektronica ook op de productie van immateriële goederen gestort: nl. de diensten-, welzijns- en culturele sector.

Om de afzet van steeds nieuwe goederen te garanderen, werd op grote schaal overgegaan tot het creëren van behoeften. Als gevolg van beide tendensen veroverde het kapitalisme nu ook levenssferen die voordien relatief vrij waren gebleven van kapitalistische industrialisatie. Aldus werden deze die traditioneel tot de reproductiesfeer gerekend werden (zoals gezondheid, ontspanning, psychologische bijstand, e.d.) ook onderworpen aan het marktmechanisme.

Met de komst van de welvaartsstaat overschreden overheersing en uitbuiting definitief de fabrieksgrenzen en nestelden zich in de reproductiesfeer. Daartegen kwam, na een aanvankelijke euforie, ook het verzet los en de eerste actiegroepen voor ruimtelijke ordening, veilig verkeer, beter leefmilieu schoten uit de grond. Patiënten groepeerden zich in zelfhulpgroepen, onderwijswinkels ontwikkelden alternatieven, het feminisme kende een nieuwe bloei, de pacifisten en de antinucleairen hadden een snel groeiend succes. Al deze groepen hebben één ding gemeen: de militanten die erbij betrokken zijn stellen zich teweer als burger, als consument, en niet als arbeider. In mei ’68 kwamen deze groepen voor het eerst op straat,[8] niet langer voor betere werkvoorwaarden of een hoger loon, maar voor een ander maatschappijmodel, niet als arbeider, maar als burger/consument.

Het marxisme wist duidelijk geen raad met deze “randfenomenen”. Nu echter al deze groepen aaneensluiten, nu de eerste stappen naar een politieke vertegenwoordiging worden gezet, nu het gedachtegoed van de ecologische theoretici langzaam naar de basis doorsijpelt, kan men spreken van de groei van een nieuwe sociale beweging, en of men deze nu een ecologische, antitechnocratische, milieu – of andere noemt is van secundair belang.

Langzaamaan werd het duidelijk dat de arbeidersklasse niet langer de sujet historique is die ze 150 jaar lang geweest is, maar dat ze plaats moet ruimen voor nieuwe groepen.

Alain Touraine[9] is zowat de enige theoreticus die deze nieuwe sociale beweging op zich bestudeert, en niet als een verbijzondering van de arbeidersstrijd. Laat ons echter met Touraine dit duidelijk stellen: de ecologische strijd is een klassenstrijd, net zoals de arbeidersstrijd, alleen zijn de klassen in de sociale arena breder geworden, en kunnen ze niet langer uitsluitend vanuit de productiesfeer gedefinieerd worden.

Dit komt ook omdat de klassentegenstander veel omvangrijker geworden is. Was dit vroeger nog de nationale of internationale burgerij, vandaag is het een geheel van zowel publieke als private technocratische apparaten geworden, die hun wil aan de burger proberen op te leggen.

In haar pogingen de ecologische beweging onschadelijk te maken, hanteert het kapitalisme dezelfde strategieën als voorheen tegen de arbeidersbeweging (l’histoire se répète). De reproductie van de arbeidskracht (via de bescherming door sociale wetten en later door de uitbouw van sociale voorzieningen) garandeerde de productievoorwaarden (voldoende en geschikte arbeiders om de productie te verzekeren), ontkrachtte het verzet van de arbeidersbeweging, en was nog winstgevend ook.

In dit alles speelde de staat als crisisbeheersende instantie een grote rol. Zij moest de kapitalisten tegen hun eigen ongebreidelde winsthonger beschermen, anders zou de bevolking zo zwak worden en zo snel verminderen dat het systeem zou falen.

T.a.v. het ecologisch probleem wordt dezelfde strategie gehanteerd. Sinds het 1ste rapport van de Club van Rome zag het kapitalisme zelf in dat het niet onbekommerd verder kon gaan op de manier waarop het bezig was, zo niet zouden de productiemiddelen zelf (o.a. de vrije en onbeperkte beschikking over zuivere lucht, aarde en water) onherroepelijk aangetast worden. Tegenstrategieën werden dus ontwikkeld en paradoxaal genoeg leverde de bouw van zuiveringsstations, verbrandingsovens, enz. nieuwe expansiemogelijkheden op waar winst in zat.

Ondertussen probeert de overheid de actiegroepen te betrekken bij een “constructieve dialoog” en probeert ze voldoende deeltoegevingen te doen opdat de beweging in de kracht van haar negatie zou getroffen worden. Mishan, een Brits systeemvriendelijk econoom, spreekt over “milieurechten” voor de burger[10] die, zoals de sociale wetgeving, de burger net zoveel toegeven dat hij het systeem niet langer aanvalt, maar zeker niet genoeg, opdat de kern van het systeem zou geraakt worden. De theoretici van de ecologische beweging zijn zich daar scherp van bewust,[11] jammer genoeg lijkt de basis het gevaar van de inkapseling nog niet algemeen te onderkennen.

Daarom moeten de arbeidersbeweging en de ecologische beweging hun ervaringen uitwisselen en over alle meningsverschillen heen samen een vuist maken tegen het kapitalisme. Dit mag echter niet alleen bestaan in het verdedigen van de eigen kortetermijnbelangen, maar in het naar voor schuiven van een globaal alternatief, dat het kapitalisme in het hart van z’n groeimanie, beheersingsmechanismen en eigendomsverhoudingen treft. En eer het zover is moeten de intellectuelen, die aan beide bewegingen hun theoretische basis leveren, elkaar met welwillendheid tegemoet treden en niet met de arrogantie van diegenen die het beter denken te weten.

Want hun tegenstander is één en dezelfde.

_______________
[1] In dit artikel worden alleen persoonlijke meningen geuit. Het is niet geschreven in naam, noch in opdracht van Agalev.
[2] Wie zich daar verder wil in verdiepen kan mijns inziens het best beginnen met: ERNST SCHUMACHER, Hou het klein, Amboboeken, Baarn, ’74, (London, ’73). ANDRE GORZ, Ecologie en vrijheid, Van Gennep, A’dam, ’78 (Parijs, ’77)
IVAN ILLICH, Naar een nieuwe levensstijl, Het Wereldvenster, Baarn, ’73 (London, ’73). Ps. de Nederlandse vertalingen van Illichs werk zijn niet altijd even goed, zodat men beter de originele Engelse versies of een Franse vertaling leest.
[3] Voor een beknopt overzicht daarvan: Toestanden, jg. nr. 1, jan. ’81, P. VERBRAEKEN, De dictatuur van het pollutariaat of de milieuvernietiging in de Sovjet-Unie, p. 57/60.
[4] ADAM SCHAFF, Marxismus und das menschliche Individuum, Europa Verlag, Wenen, ’65.
[5] Zie SCHUMACHER, op. cit., p. 251.
[6] Het mislukken van dit experiment is te wijten aan de kapitalistische omgeving waarbinnen het bedrijf moest opereren, en niet aan interne tegenstellingen of een slechte organisatie, zoals men wel eens (niet zonder enig leedvermaak) leest.
[7] Ellul, Fromm, Marcuse, Galbraith, Habermass, Mills, ...
[8] De arbeidende bevolking is voordien wel al enkele keren op straat gekomen voor eisen die niet strikt tot de productiesfeer behoorden (betogingen voor het algemeen stemrecht bv.), maar aangezien dit niet systematisch gebeurde en eenzelfde ideologische en sociale achtergrond had als de ‘klassieke’ betogingen, falsifieert dat m.i. het betoog niet.
[9] Zie daarvoor ALAIN TOURAINE, De postindustriële maatschappij, Het Wereldvenster, Baarn, ’71 (Parijs, ’69); Production de la Société, éd. du Seuil, Parijs, ’73; La voix et le regard, éd. du Seuil, Parijs, ’78.
[10] E. MISHAN, De welvaart wordt duur betaald, Het Spectrum, Aula 461, Utrecht/A’pen, ’73 (Londen, ’68), p. 95-96.
[11] Zie A. GORZ, op. cit., pp. 9-10 en 25-26.

Geert De Clercq (27.04.59) studeerde Arbeidssociologie te Leuven. Hij studeerde af met de eindverhandeling ‘De ecologische beweging, een nieuwe sociale beweging? A. Touraine herzien’