Dirk Van Damme

De gemeente als lokale staat[0]


Bron: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 1982, nr. 4, september, jg. 16
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA

       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Libertair municipalisme: een overzicht
De gemeente
Gemeenteraadsverkiezingen

1. Inleiding


Gemeenteraadsverkiezingen zijn belangrijke politieke gebeurtenissen die in heel wat aspecten verschillen van andere politieke mobilisaties. Aan de gemeentepolitiek wordt in het algemeen een andere waardering gegeven dan aan de nationale politiek. Aan dit verschil in waardering beantwoordt echter geen theoretisch onderscheid tussen de centrale staat en de gemeente, noch een strategisch onderscheid tussen nationale en lokale politieke strijd. In de recente marxistische staatsdiscussie is nauwelijks aandacht besteed aan de lokale staat[1] en, ondanks belangrijke en interessante ervaringen met gemeentelijke politiek in Italië, Frankrijk en elders, is de gemeente ook in de recente strategiediscussies nagenoeg afwezig gebleven. Daarbij komt dat ook het historisch onderzoek naar politieke processen op gemeentelijk vlak erg schaars blijft.[2]

Op die manier wordt de specificiteit van de gemeentepolitiek niet in een politieke theorie van de gemeente vertaald en blijft een grote en m.i. voor de linkerzijde interessante ruimte in het politieke strijdveld open op een moment dat er in verschillende landen boeiende experimenten met lokale democratie aan de gang zijn en ook in Vlaanderen navolging vinden.

Het achterwege blijven van de reflectie riskeert deze experimenten stuurloos te maken of in een weinig vruchtbaar kader te laten stranden. Meer bepaald wordt de opengelaten ruimte opgevuld met een uitermate ideologisch discours, nl. het links-liberale denken dat de specificiteit van de gemeente uitdrukt in termen van de geringe afstand tussen ‘burger’ en overheid, van inspraak en participatie, van de gemeente als hoeksteen van de democratie, enz.[3]

In programma’s en verkiezingsfolders van linkse partijen, in campagnes als ‘De Wakkere Burger’ en in specifieke vormen van lokale strijd, wordt een op zich zeer boeiend politiek gebeuren gehypothekeerd door een dergelijk versluierend discours: in plaats van een bedreiging te zijn voor de burgerlijke macht op lokaal vlak, versterkt dit discours de ideologische wijze waarop deze macht zich op dat niveau legitimeert.


Ik pleit dus voor een politieke theorie van de gemeente. Uitgangspunt hierbij is het begrip van de gemeente als lokale staat, nl. als productief specifiek deel van de burgerlijke staat.

De specificiteit van de gemeentelijke politiek moet op die manier kunnen verklaard worden door een analyse van de structurele contradicties en de functionele verschillen tussen centrale en lokale staat. Die analyse mag de lezer van dit artikel niet verwachten. Deze tekst is niet meer dan een poging om een aantal historische en actuele aspecten van die verhouding tussen centrale en lokale staat aan te geven.


2. De gemeente als lokale staat


Vooreerst is het nodig om het begrip lokale staat te verduidelijken. In de recente marxistische staatsdiscussie is de betekenis van het begrip staat verschoven van een repressieapparaat in dienst van de heersende klasse, naar een institutionele ‘verdichting’ van klassenverhoudingen met een uitgebreide functionaliteit in de reproductie van de kapitalistische verhoudingen.

In plaats van een instrument in dienst van de heersende klasse, wordt de staat nu veeleer begrepen als plaats waar verschillende klassen aanwezig zijn en strijd leveren.

De verschillende staatsinterventies zijn het product niet van een eenduidig burgerlijk klassebelang, maar van pogingen om binnen de grenzen van de kapitalistische accumulatie en reproductie, verschillende klassebelangen veilig te stellen, en van de strijd die verschillende klassen daar rond voeren.

De staat grijpt relatief autonoom van de heersende klasse en de afzonderlijke kapitalen, op verschillende manieren op de maatschappelijke verhoudingen in.

Economisch klassebelang van de heersende klasse, politieke macht en ideologische hegemonie hoeven hierbij niet noodzakelijkerwijze parallel te lopen, maar kunnen in bepaalde historische conjuncturen contradictorisch zijn: de fundamentele contradictie tussen accumulatie en reproductie.

Op basis van verschillende wijzen waarop de klassen zich in de staat tot elkaar verhouden, geven verschillende staatsapparaten een ander antwoord op deze fundamentele contradictie en ontstaan er structurele tegenstellingen tussen verschillende delen van de burgerlijke staat.


Eén van de belangrijkste tegenstellingen die de staat zo verdeelt, is deze tussen de centrale nationale staat en de lokale staat. Aan de grondslag van deze tegenstelling ligt een verschil in verhouding staat-klassen en een daarop aansluitend verschil in functionaliteit tussen centrale en lokale staat.

Nu is deze tegenstelling zeker niet als absoluut en onveranderlijk op te vatten: ze is afhankelijk van de voortdurend wijzigende verhoudingen tussen klassen en klassefracties en als dusdanig op haar beurt ook inzet van politieke strijd.

Eén van de historische gegevenheden hierbij is, dat er een voortdurend proces van uitholling en verzwakking van de lokale staat is vast te stellen, zeker naargelang de overheerste klassen meer macht verwierven over de lokale staat. Ook moet deze tegenstelling niet a priori als een verzwakking van de burgerlijke staat geïnterpreteerd worden: ze kan integendeel een voor de burgerlijke klassemacht uiterst productieve tegenstelling zijn, evengoed als ze een voorwaarde is om overheerste klassen toe te laten delen van het staatsapparaat onder controle te krijgen.

Resumerend kunnen we de lokale staat aanduiden, niet als iets dat enkel tegengesteld is aan de nationale staat, ook niet als een louter passieve buitenpost van de centrale staat op lokaal vlak, maar als een ondergeschikt en productief deel van de burgerlijke staat en onderhevig aan de structurele contradicties van die staat.


3. De lokale staat en de vorming van de nationale staat


Om dit nog meer te kunnen concretiseren moeten we een zicht hebben op de geschiedenis van de lokale staat. Een aantal belangrijke episodes zal ik kort overlopen, steeds met het oog op de analyse van de verhouding van de klassen tot de lokale staat.


De associatie van de gemeente met een oud gemeenschapsgevoel gaat terug op het ontstaan van de steden in de middeleeuwen. In de versnippering van de feodale politieke structuren, waar er nog nauwelijks sprake was van een een gemaakte nationale staat, vormden de steden en gemeenten kleine zelfstandige ‘staatjes’.

De burgerij is haar politieke opmars via de steden begonnen. De pre-industriële burgerij heeft zich als klasse in een stedelijke context ontwikkeld. Vooral in de bloeiende handelssteden wist de burgerij de stedelijke staatsmacht te veroveren en te gebruiken om haar klassebelangen te verzekeren op verschillende terreinen: de economische ontwikkeling, de sociale politiek (armoedebestrijding en regulering van de arbeidsmarkt),[4] de repressie, de relaties met de vorstelijke macht, de uitbuiting van het platteland, enz. De stedelijke autonomie vormde in het feodalisme de voorwaarde om de burgerij toe te laten zich als klasse te ontwikkelen. Voor ze de centrale staat veroverde was de burgerij in die complexe overgangsperiode tussen feodalisme en kapitalisme een bij uitstek stedelijke klasse. Stuurman vermeldt zelfs de hypothese dat in die regio’s waar de stedelijke autonomie gebloeid had, de absolutistische monarchie niet tot stand zou gekomen zijn.[5]

De ontwikkeling van de nationale staat werd echter ook voor de verschillende burgerlijke klassen langzamerhand een voorwaarde voor hun verdere ontwikkeling. De centralisatie van de militaire macht, de monetaire en handelspolitiek, de sociale politiek, de rechtspraak, enz., brachten de nationale staat onvermijdelijk in botsing met de stedelijke autonomie. Ook namen binnen de nationale context de spanningen tussen de steden toe, niet alleen tussen steden met tegengestelde economische belangen, maar ook tussen steden met een primair economische betekenis en de hoofdstad, waar zich de administratie van de een gemaakte staat vestigde en die op die manier de aantrekkingspool werd voor de heersende klassen. De ontwikkeling van het kapitalisme en de klassevorming van de verschillende burgerlijke klassen werden meer en meer een nationaal in plaats van een lokaal, stedelijk gebeuren. Dit proces, dat niet zonder grote conflicten en spanningen plaats had, impliceerde een achteruitgang in de economische en politieke positie van de steden. De lokale staat, oorspronkelijk een voorwaarde tot, kwam nu meer en meer in contradictie met de ontwikkeling van het kapitalisme en van de burgerij als klasse. De ontwikkeling van nationale staten had dan ook de geleidelijke onderschikking en de uitholling van de autonomie van de lokale staat aan de nationale staat tot gevolg.


Dit proces, dat ik hier te beknopt en te rechtlijnig heb geschetst, werd echter niet volledig doorgetrokken. De lokale weerstand van de stedelijke burgerij was en bleef daarvoor te groot. Meer bepaald wilde die stedelijke burgerij haar autonomie niet volledig kwijtspelen aan een nationale staat waar de invloed van het – steeds conservatieve – platteland en de invloed van de ‘oude’ klassen groot was.

Daarbij komt dat de industriële revolutie toch in hoofdzaak een stedelijk-lokaal karakter had en dat de economische, technologische, politieke en ideologische vernieuwingen, van de steden bleven uitgaan. Kapitalistische ontwikkeling en industriële revolutie brachten processen van urbanisering en migratie van het platteland naar de steden op gang, wat ook weer de macht van de steden bevorderde. De steden bleven, ondanks hun toenemende onderschikking aan de nationale burgerlijke staat, de materiële en politieke ruimte waarbinnen de ontwikkeling en reproductie van kapitalistische verhoudingen plaats had.

De houding van de burgerij t.o.v. de lokale staat was in de 19e eeuw dan ook dubbel: enerzijds impliceerde de ontwikkeling van een nationale burgerlijke staat (die een aantal basisvoorwaarden voor de economische ontwikkeling en de politiek-juridisch-ideologische macht van de burgerij moest verzekeren) de uitholling van de stedelijke autonomie; anderzijds was de burgerij als stedelijke klasse bezorgd om de voorwaarden die haar politieke macht garandeerde op lokaal vlak.


4. De lokale staat en de strijd tussen oude en nieuwe heersende klassen


Dat de burgerij wat dit laatste betreft geen ongelijk had, heeft de geschiedenis van België herhaalde malen aangetoond. Vlak na de revolutie van 1830 bleek bv. dat de klerikale groepen, waarin de adel en de grootgrondbezitters georganiseerd waren, op nationaal vlak – en voor een deel ook op stedelijk vlak – dominant waren.

Ze maakten van de staatsmacht gebruik om via de gemeentewet van 1836, waarin vooral de kwestie van de burgemeester politiek belangrijk was, en via de aanstelling van klerikale burgemeesters, de liberale opmars op stedelijk vlak in te dammen.[6]

De kwestie van de burgemeester is interessant omdat daarin treffend het contradictorisch karakter van de lokale staat tot uiting kwam.

In 1836 werd na eindeloze discussies tussen de koning en de conservatieven enerzijds en sommige antiklerikalen anderzijds de dubbelzinnige regeling getroffen dat de koning de burgemeester benoemde, maar dat hij verplicht was deze te kiezen in de schoot van de verkozen gemeenteraad.[7] In de praktijk waren het dan ook duidelijk conservatieve aanstellingen. Deze kwestie is een duidelijk strijdpunt geweest tussen de oude en de nieuwe heersende klasse, waarvan de controle over en de autonomie van de lokale staat een dieper liggende inzet vormde. De burgemeester, de belangrijkste machtsfactor in de lokale staat, heeft immers tot functie om zowel zorg te dragen voor de uitvoering en de naleving van de wetten van de nationale staat, als de belangen van de lokale gemeenschap te vertegenwoordigen en te verdedigen.

Ook in andere periodes werd de gemeentelijke autonomie inzet van politieke strijd. Daarbij vormde steeds minder die autonomie zelf het twistpunt tussen de fracties van de heersende klasse, maar werd zij het instrument van die fracties in een bepaalde strijd, nl. als middel om aan de nationale regering weerstand te bieden of druk uit te oefenen wanneer die door de andere fractie werd gecontroleerd. Zo waren de gemeentebesturen een van de machtigste wapens van de klerikale oppositie tegen de antiklerikale schoolwet van Van Humbeeck gedurende de schoolstrijd (1879-1884). Ook heel wat liberale gemeentebesturen konden tegen de centrale staat gemobiliseerd worden omwille van de zware financiële implicaties die deze wet voor de gemeenten inhield.

Overigens vormt de onderwijspolitiek, ook na de katholieke machtsovername van 1884, een mooi voorbeeld van de wijze waarop zich vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw een centrale staatsbureaucratie ontwikkelde waarvan een steeds grotere controle en betutteling van de lokale staatsapparaten uitging. De centralisatie van de staatsmacht hield ongetwijfeld verband met de intrede van de arbeidersklasse in de politiek-ideologische arena.


5. De lokale staat en de arbeidersklasse op het einde van de 19e eeuw


Het vraagstuk van de lokale staat kreeg hierdoor een ander, maar niet minder contradictorisch karakter. Waar het klassekarakter van de verhouding lokale-nationale staat tot hiertoe vooral betrekking had op de strijd die oude en nieuwe heersende klassen voerden om de staatsmacht, verschoof dit nu definitief naar de verhouding heersend machtsblok versus overheerste klassen. Het heersend machtsblok met zijn twee belangrijke politiek-ideologische vleugels, liberalen en klerikalen, werd homogener en conservatiever. Ook op gemeentelijk vlak was dit te merken in een afname van de protestacties van doctrinair-liberale stadsbesturen tegen de klerikale regering. De belangrijkste vraag voor het heersend machtsblok was hoe de overheerste klassen, in een periode van strijd om de kiesrechtuitbreiding, de toegang tot de lokale staatsmacht kon ontzegd worden. De klerikale fractie van de heersende klasse zag in dat de gemeente zich goed leende om een instrument te worden van populaire bewegingen. Verschillende progressief-burgerlijke bewegingen hadden zich voordien al via de lokale staat in de politieke strijd geworpen. Op het lokale stedelijke niveau bleken doelstellingen verwezenlijkt te kunnen worden waar men op nationaal vlak nog lang niet aan toe was. Bovendien bleken stadsbesturen vaak niet altijd succesvolle, maar toch machtige drukkingsgroepen te kunnen worden voor de nationale regering.[8]


Van het heersend machtsblok ging een dubbel initiatief uit. In de eerste plaats probeerde men de toegang tot het gemeentehuis moeilijk te maken voor kandidaten uit de arbeidersklasse. Dit bleek treffend uit de reactionaire kieswet van 1895, ‘de wet van de vier schandelijkheden’ (Anseele).

De regering, geschrokken van de socialistische aanhang bij de parlementsverkiezingen van 1894 op basis van het algemeen meervoudig stemrecht, probeerde met die wet de intrede van de socialisten in de gemeentebesturen te verhinderen.[9]

Het kiesrecht, dat voor de gemeenten altijd minder ondemocratisch was geweest dan voor het parlement, werd zodanig beperkt dat socialistische kandidaten het zeer moeilijk hadden. Toch slaagden de socialisten – die overigens maar zwak reageerden tegen deze wet – er in om in Waalse industriële centra een sterke positie te veroveren en in Vlaamse steden de doctrinaire-liberale meerderheden met de hulp van de progressisten omver te werpen. Hoewel ook nog andere middelen werden ingezet – zo kregen vrijwel geen socialistische gemeentebesturen hun kandidaat als burgemeester aangesteld – verscheen de arbeidersklasse definitief in de lokale staat.

Naast deze directe ingrepen van de heersende klassen, nl. beperking van het gemeentelijk kiesrecht, weigering om socialistische burgemeesters te benoemen, het voeren van een daadwerkelijke obstructiepolitiek, enz. probeerde de heersende klasse ook langs andere wegen de lokale staat af te schermen.

Eén ervan was de versterking van de ideologische betekenis van de lokale staat. De kiesrechtuitbreiding en de socialistische dreiging deed de heersende klasse inzien dat, om haar klassemacht op het niveau van de lokale staat veilig te stellen, de versteviging van de ideologische verhouding tussen de lokale staat en de overheerste klassen noodzakelijk was.

Van gemeentelijke bestuurders moest meer gevoeligheid voor de noden van de lokale bevolking te merken zijn. De gemeente moest beschouwd kunnen worden als de uitdrukking van de belangen van de lokale gemeenschap. Deze belangenverdediging van de lokale gemeenschap tegenover andere gemeenten en tegenover de nationale staat, bevordert de organische band van de lokale staat tot de lokale gemeenschap. Ideologisch heeft dit een identificatie van alle sociale groepen van die gemeenschap met de belangen die door de lokale staat worden uitgedrukt, tot gevolg.


Deze ideologische binding van de lokale gemeenschap aan de lokale staat, geeft deze lokale staat een bijzonder krachtige politiek-ideologische basis. En deze binding brengt meteen ook de politiek-ideologische voorwaarden mee voor de legitimering van de nationale staat.

Dit mechanisme functioneerde wel bijzonder treffend in de kleine plattelandsgemeenten. Daar had het vooral de ideologische heerschappij over de boeren tot doel. De burgemeester, samen met zijn gevolg, representeerde de staatsmacht, maar had ook een grote invloed op de plaatselijke bevolking die hem als hun beschermer tegen de buitenwereld en hun vertegenwoordiger zag.

Plaatselijke notabelen konden door de post van burgemeester in hun rangen te houden, op een eenvoudige manier de politiek-ideologische krachtsverhoudingen in de lokale gemeenschap onder controle houden. Daartoe was het uiterst nuttig om samen te gaan met de andere machten die in die lokale gemeenschap aanwezig waren, nl. de pastoor en de dorpsonderwijzer. Hoewel conflicten niet onmogelijk waren – elk van de drie vertegenwoordigde in een zekere zin een andere maatschappelijke en historische kracht – was het in ieders belang om hun krachten te bundelen en in hun persoonlijk samengaan staatsmacht en ideologische macht in een hecht en stabiel geheel aan elkaar te klitten.

Het quasi unanieme en stabiele conservatief-katholieke stemgedrag van de plattelandsbewoners was er het directe, en voor de heersende klasse uiterst welkome, politieke gevolg van. Slechts zelden kon aan die ideologische macht op het vlak van de lokale staat, iets gewijzigd worden.


Dat succes moet niet alleen in negatieve zin opgevat worden, nl. als ideologische onderwerping. Een aantal van deze praktijken groeiden uit tot voorzieningen die ook door de arbeiders zelf als positief werden aangevoeld en die ze als in hun voordeel erkenden. Een aantal sociale voorzieningen hielden een reële verbetering in van de levenssituatie van de arbeidersklasse en waren soms zaken waar de arbeidersbeweging al lang voor pleitte. Dit is immers juist het kenmerk van hegemonie: niet alleen de ideologische onderwerping, maar vooral de actieve ideologische instemming en identificatie van de overheerste klassen verkrijgen, is de inzet van hegemoniale praktijken.

Om de burgerlijke hegemonie juist functioneel te laten zijn voor de klasseheerschappij van de burgerij, moet die hegemonie gefragmenteerde traditionele belangen, verwachtingen en ideologische elementen van de overheerste klassen kunnen uitdrukken en representeren in een door het heersend machtsblok gecontroleerde sociale praktijk. Daartoe was de lokale staat wel heel geschikt door haar combinatie van verbondenheid met de lokale gemeenschap met de organisatie van ideologische apparaten en sociale voorzieningen. Dit alles schiep een zekere band tussen de lokale staat en de lokale bevolking van corporatistische aard die functioneel was voor de klassemacht van de heersende klasse in de lokale staat.


In de steden lag die ideologische functie wel iets gecompliceerder. De structuren van de lokale gemeenschap waren immers minder doorzichtig en minder gemakkelijk te controleren dan in een rurale gemeenschap. Ook was er de klassen-integrerende invloed van een gemeenschappelijk samenhorigheidsgevoel minder stevig en minder goed te ontwikkelen.

De klassentegenstellingen tussen burgerij, kleinburgerij en arbeidersklasse waren door ruimtelijke segregatie en opvallende ongelijkheid tussen armoede en rijkdom, materieel zichtbaar gemaakt – dikwijls nog geaccentueerd door de sociale taalgrens en culturele segregatie.

Toch bleven er genoeg mechanismen en aanleidingen bestaan om de ideologische cohesie en politieke homogeniteit van de lokale gemeenschap te waarborgen en telkens opnieuw op te wekken. Vooral t.a.v. de stedelijke kleinburgerij was dit duidelijk. De stedelijke – vaak liberale – burgerij, die de lokale staatsmacht domineerde, wist via de lokale staatsapparaten ruimte te geven aan de maatschappelijke ambities van de stedelijke kleinburgerij en deze op die manier aan haar te binden. Niet de minst belangrijke rol werd hierbij gespeeld door de rekrutering van het personeel van de lokale staat in de kleinburgerij: in het onderwijs, de lokale administratie, de stedelijke culturele voorzieningen, enz. werd een aanzienlijk aantal mensen tewerkgesteld die, gerekruteerd uit de kleinburgerij, zich al vlug als de dragers van burgerlijke ideologische inhouden gingen manifesteren.[10]

Als ‘subalterne intellectuelen’[11] werden ze de enthousiaste verspreiders van positivistische, rationalistische ideologieën, van laïcisering, van sociale gelijkheid, enz. in de stedelijke gemeenschap.

Via de structuren van die gemeenschap en van de lokale staat werden ze ingeschakeld in de hegemonie van de heersende klasse. Bv. in de schoolstrijd en bij het stedelijk liberale verzet tegen de klerikale regering werd de kleinburgerij gemobiliseerd en aan de burgerij gebonden, daarbij een deel van de arbeidersaristocratie in haar zog meezuigend. Met het conservatiever worden van de burgerij en het ‘overlopen’ van heel wat doctrinair-liberalen naar de katholieke partij, kwam deze gelieerde kleinburgerij politiek los te staan (cfr. het ontstaan van de progressistische partij), maar dit had m.b.t. haar ideologische positie t.a.v. de lokale staat weinig gevolgen.

Integendeel, want door de alliantiepolitiek van de rechtervleugel van de socialisten met de progressisten, kon de hegemonie van de burgerij in de lokale staat over de kleinburgerij verder uitgebreid worden naar een ideologische invloed over de arbeidersaristocratie.


De ideologische functie van de lokale staat betrof niet alleen de binding van de ondersteunende middenklassen aan de klassemacht van de heersende klasse, maar had – in een andere vorm – ook de ideologische beïnvloeding van de arbeidersklasse tot doel. Het is niet toevallig dat heel wat praktijken en apparaten, die vanaf het einde van de 19e eeuw door de staat in de reproductiesfeer georganiseerd werden, zoals het volksonderwijs, de sociale gezondheidszorg (hygiëne), de volkswoningbouw, de pedagogische armenzorg, het openbaar vervoer, enz., aan de lokale staat werden toevertrouwd. Deze praktijken hadden een onmiskenbare ideologisch-culturele invloed op de leefwereld en het bewustzijn van de stedelijke arbeidersklasse.

Ze waren het resultaat van pogingen van een verontruste stedelijke burgerij – verontrust zowel voor de gevaren die van een aan zichzelf overgelaten arbeidersklasse konden uitgaan, als voor de mogelijke risico’s van een volgehouden non-interventionistische houding van de staat voor de reproductie van het kapitalisme zelf – om via de (lokale) staat de stedelijke problemen op het vlak van criminaliteit, hygiëne, ruimtelijke wanorde, enz. aan te pakken.

Bovendien ging er van de lokale staat actieve of passieve steun naar het uitgebreide netwerk van paternalistische initiatieven die door de clerus was opgezet om de arbeidersklasse te moraliseren en onder controle te houden. Binnen het gehele staatsapparaat werd de lokale staat het meest geschikt geacht om deze ideologische functies met succes te vervullen.


6. De sociaaldemocratie in de lokale staat


De sociaaldemocratie heeft steeds sterk geloofd in de mogelijkheden van de lokale staat. Ze beriep zich daarvoor op een niet onjuist inzicht in de specificiteit van de lokale staat. Een Londens Labour pamflet uit 1898 formuleerde het treffend: ‘In municipal progress and development will be found the line of least resistance to the political, social and industrial emancipation of the working masses’.[12] Dit moet ook voor de Belgische socialisten, die zich in Quaregnon met nadruk voor de gemeentelijke autonomie hadden uitgesproken, het motto geweest zijn om zich met volle overgave in de electorale strijd om de lokale staat te gooien. Een intelligent waarneemster als Henriette Roland Holst formuleerde in 1926 het socialistisch optimisme t.a.v. de lokale staat als volgt: ‘Staat en gemeente kunnen onder het kapitalisme niet gelijkgesteld worden, zonder de waarheid geweld aan te doen. De eerste blijft in het kapitalisme, alle democratische vormen ten spijt, in de eerste plaats een orgaan van de heerschappij der bezittende klasse, terwijl de tweede reeds nu tot op zeker hoogte een orgaan ter voorziening in de behoeften der gemeenschap is of althans kan worden, zoals de middeneeuwsche stad dit was’.[13]


De socialisten, die vanaf 1885 op basis van het capacitaire kiesrecht en vooral vanaf 1895 belangrijke posities innamen in industriële en stedelijke centra, trachtten dan ook in de eerste plaats de lokale staat te gebruiken om openbare voorzieningen tot stand te brengen die aan de behoeften van de lokale gemeenschap beantwoorden.

Zo werd er gestreden voor een verbetering van het volksonderwijs, voor sociale woningbouw, voor watervoorziening, voor een begin van stadsplanning, enz.[14]

De rode draad in dit ‘socialisme municipal’ was duidelijk dat er d.m.v. de lokale staat openbare voorzieningen konden tot stand gebracht worden op alle terreinen van het economisch en sociaal leven. César De Paepe was in het Belgisch socialisme de geestelijke vader van dit etatisme: voor hem bestond de machtsovername van het proletariaat juist in de controle over de staat en de opbouw van openbare voorzieningen.

Het spreekt vanzelf dat in deze visie de verovering van de gemeente gezien werd als een experimenteerruimte, in afwachting van de verovering van de nationale staat: ‘La commune doit servir de champ d’expérimentation à une partie des réformes inscrites au programme du P.O.B. en attendant le jour où maîtres du Gouvernement, les travailleurs pouvon généraliser l’application de ces principes à tout le pays. La lutte sur le terrain communal n’a donc pas moins d’importance que sur le terrain législatif’.[15]

De verovering van de lokale staat werd in afwachting van en ter voorbereiding op de verovering van de nationale staat gezien. Men had geen politiek project ontwikkeld dat aansloot bij de specifiteit van de lokale staat. Er werd een gradueel en geen structureel onderscheid gemaakt tussen lokale en nationale staat.

Deze pragmatische politiek was dan ook niet in staat om van de verovering van de lokale staat een uitdrukking van de klassemacht van de arbeidersklasse te maken.

Veeleer dan een revolutionair project te zijn, raakte dit ‘socialisme municipal’ verzand in reformistische hervormingspolitiek, waarover ook heel wat progressieven uit de burgerij niet ontevreden waren. De intrede in het gemeentehuis was veeleer een teken van de integratie van de arbeidersklasse in de burgerlijke staat, dan van de verovering van een nabij stuk staat door die arbeidersklasse.


Kon de socialistische gemeentepolitiek weinig revolutionair genoemd worden, dan gaf ze toch uitdrukking aan een aantal eisen van de arbeidersbeweging in de staat en lag ze op die manier mee aan de basis voor de omvorming van de burgerlijke staat naar een interventionistische verzorgingsstaat, waarin belangen van de arbeidersklasse en de nieuwe kapitalistische groei in een wankel evenwicht werden gebracht.


Naast de uitbouw van openbare gemeentelijke voorzieningen, waren de socialisten ook op twee andere grote punten actief.

In de eerste plaats op het vlak van de verbetering van de positie van het gemeentepersoneel. Als er via de lokale staat nauwelijks kon ingegrepen worden op het loonniveau van de arbeidersklasse, dan kon de situatie van het gemeentepersoneel toch worden verbeterd door o.a. de invoering van een minimumsalaris.

Dat die positie ‘zich in sommige gemeenten in zoo groote mate ten goede van die in het particuliere bedrijf onderscheidt, dat men hier zeker van een overgangsvorm naar een socialistische regeling kan spreken’,[16] zoals Henriette Roland Holst beweerde, lijkt ons toch overdreven.

Ten tweede lagen de socialisten aan de basis van overleg tussen en organisatie van gemeenten. Door overleg tussen verschillende lokale besturen te stimuleren, door te streven naar intercommunale initiatieven, door een actieve rol te spelen in het ontstaan van de Belgische Vereniging van Steden en Gemeenten, enz. kon de positie van de lokale staat versus de centrale staat verstevigd worden.


7. De lokale staat: theoretische conclusies


Vanuit deze verschillende historische krachtlijnen kan de huidige positie van de gemeente in de burgerlijke staat gekarakteriseerd worden.
1. Een eerste aspect m.b.t. de verhouding nationale staat-lokale staat is, dat er een historisch en nog voortdurend proces van onderschikking en uitholling van de autonomie is vast te stellen. De gemeente wordt in haar functioneren duidelijk omgrensd door en ondergeschikt aan de centrale staat. De verklaring van dit proces moet gezocht worden in een aantal processen zoals:
- de ontwikkeling, consolidatie en uitbreiding van de nationale centrale burgerlijke staat;
- de klassevorming van de burgerij, die van een lokaal niveau overgaat naar een nationaal (en geleidelijk supranationaal niveau), waarbij de gemeentelijke autonomie van voorwaarde tot geleidelijk in contradictie komt met de klassebelangen van de burgerij.
2. Daartegenover staat, ten tweede, dat de structurele contradicties tussen lokale en nationale staat daarmee niet zijn opgelost, maar in andere vormen zijn gereproduceerd. De centralisatie van de burgerlijke staat heeft de specificiteit van de lokale staat niet vernietigd, maar een andere functionaliteit gegeven. De gemeente krijgt als voorpost van de lokale staat een aantal functies toegewezen, die beantwoorden aan en verder een stimulans worden van de specifieke verhouding van de lokale staat tot de bevolking. Van die functies zijn er twee van groot belang:
- de organisatie van hegemoniale praktijken die de gemeente tot een ideologisch apparaat maken;
- de organisatie van collectieve consumptiemiddelen en openbare voorzieningen.
3. Deze specificiteit van de lokale staat, die zich doorheen de klassenstrijd en de antwoorden van de burgerlijke staat heeft ontwikkeld, heeft de politiek-ideologische binding van niet-dominante klassen aan de staat tot doel:
- oude en niet-dominante fracties van het heersend machtsblok (aristocratie, grootgrondbezit, oude bourgeoisie, ...) krijgen via hun invloed over de lokale staat een deel van de staatsmacht in handen, zonder daarbij de centrale beslissingen te kunnen beïnvloeden en de positie van dominante fracties te kunnen bedreigen;
- boeren en kleinburgerij worden aan de staat gebonden door politiek-ideologische integratiemechanismen die op het lokale vlak wel, maar op het centrale vlak in veel mindere mate effectief kunnen zijn, zoals corporatieve belangenverdediging.
- de arbeidersklasse kan op het niveau van de lokale staat effectiever gecontroleerd en beïnvloed worden.
Vooral het kunnen beantwoorden aan een zeker gemeenschapsgevoel, die de klassen bij elkaar brengt, stelt de lokale staat in de mogelijkheid een zekere legitimiteit bij de plaatselijke bevolking te verwerven.
Elk gemeentebestuur maakt van een nieuw schooltje, een OCMW-realisatie of een autovrije straat een punt van eer.
4. Hierin ligt de structurele basis voor de contradictorische verhouding tot de centrale staat. De lokale staat is door haar specifieke functionaliteit en door haar specifieke verhouding tot de ‘bevolking’ zeer gevoelig voor de verwachtingen en ‘eisen’ van die bevolking die ze geacht worden te representeren. De gemeente organiseert een aantal voorzieningen niet vanuit een abstracte zorg om de reproductie van het kapitalisme, maar als een door haar vertegenwoordigd belang van de lokale bevolking, dat zo nodig van de centrale staat moet afgedwongen worden.
Zeker in de mate dat de gemeente financieel afhankelijk is van de centrale staat – en dat is zeker met de grote steden in toenemende mate het geval – wordt de lokale staat op die manier de plaats van de strijd om de reproductiesfeer.[17] De gemeente wordt m.a.w. een concretisatie van de stelling dat staatsinterventies in de reproductiesfeer, hoewel intentioneel vanuit de heersende klasse en in functie van de kapitalistische ontwikkeling georganiseerd, inzet en plaats van politiek-ideologische klassenstrijd worden. Wil de gemeente haar legitimiteit behouden – wat voor elke verkozene van belang is, maar wat ook nodig is om de ideologische functies van de lokale staat überhaupt mogelijk te maken – dan wordt ze verplicht soms in conflict te gaan met de nationale staat. Concrete conflicten tussen lokale en centrale staat kunnen op die manier geanalyseerd worden.


8. De gemeente en de crisis van de welvaartsstaat


Eén van die conflicten vandaag is duidelijk dit van de gemeentelijke financiën. De toenemende financiële crisis van de steden en gemeenten is het gevolg van de politiek van de centrale staat.[18]

Naast het niet nakomen van haar financiële verplichtingen, probeert de centrale staat een aantal gevolgen van de huidige financiële crisis op de gemeenten af te wentelen. Op die manier probeert de centrale staat te ontkomen aan de problemen die de gemeentelijke sociale voorzieningen in crisis, hebben (bv. het OCMW).

Toch is het niet enkel een financieel probleem, maar heel duidelijk ook een politiek-ideologisch probleem. De huidige crisis van de steden – de problemen van de lokale staat zijn in dit verband vooral die van de steden – heeft duidelijk te maken met de algemene crisis van de reproductiesfeer. De sociale voorzieningen, deels door strijd van de arbeidersklasse, deels door de voorzienbaarheid van de progressieve burgerij tot stand gekomen, verliezen hun functionaliteit voor een kapitalisme-in-crisis en worden het mikpunt van neoliberale aanvallen. De lokale staat wordt, juist door zijn specifieke functionaliteit, daarbij zeer kwetsbaar. De neoliberale retoriek tegen de staatsinterventies is vooral gericht tegen de wijze waarop de arbeidersklasse van de burgerlijke staat bepaald ‘concessies’ heeft losgekregen, tegen het ‘gebruik’ van de staat door de ‘bevolking’. De lokale staat, die haar specificiteit juist ontleende aan de specifieke verhouding met de lokale bevolking, wordt in die neoliberale aanvallen één van de zondebokken. En dit is vooral in de steden het geval, waar de effecten van de crisis van de reproductiesfeer zich door de densiteit van de bevolking en de nieuwe vormen van stedelijke problemen, zeer sterk laten voelen.

De fiscale crisis van de lokale staat op stedelijk vlak wordt dan ook zeer acuut doordat de kapitalistische crisis tegelijkertijd de noden van de stedelijke sociale voorzieningen doet vergroten en de economische en politiek-ideologische mogelijkheden van die sociale voorzieningen doet verminderen.

Volgens Hirsch wordt er een proces van herstructurering van de lokale staat doorgevoerd dat uit twee, schijnbaar tegenstrijdige maar toch complementaire, strategieën bestaat.[19] Enerzijds past de centrale staat een conflict-diversificerende strategie toe die de effecten van de crisis van de reproductiesfeer naar de lokale staatsapparaten afwentelt. De steden krijgen minder middelen om hun voorzieningen in leven te houden, zodat de centrale staatsfinanciën, die meer voor het kapitaal voordelige staatsinterventies moeten voeden, gespaard blijven. Anderzijds worden er nieuwe afhankelijkheden en centralisatievormen ontwikkeld, die tot doel hebben een beter ‘management’ van de steden te ontwikkelen, zowel op technisch-administratief vlak als op politiek-ideologisch vlak: management als beheersinstrument. De strijd om de lokale staat krijgt door dit alles een duidelijke politiek-ideologische inzet: het gaat om een politisering van de lokale staat als specifieke vorm van een algemene politisering van de reproductiesfeer.


9. Centralisatie en schaalvergroting


De onderliggende tendens tot centralisatie en uitholling van de gemeentelijke autonomie blijkt ook duidelijk uit de fusieoperatie.[21] De feiten zijn bekend. De doorgevoerde schaalvergroting heeft nauwelijks iets van de argumenten van de voorstanders kunnen waarmaken: de ‘bestuurskracht’ van de nieuwe gemeenten is er niet op verbeterd en de gemeentelijke democratie functioneert er niet beter door. Integendeel, een aantal tendensen wijzen eerder in de omgekeerde richting: lijsten die op specifiek lokale problemen waren georiënteerd en de gemeentepolitiek deden aansluiten bij lokale verhoudingen (bv. Gemeentebelangen) verdwijnen, en de gemeentepolitiek wordt in nationale banen gestroomlijnd; de vertegenwoordigers, wier aantal is herleid van 24.063 tot 12.553, komen meer en meer uit dezelfde beroepsgroepen, zodat er een professionalisering van de gemeentepolitiek optreedt, enz.

Dit alles lijkt ons niet van aard om de gemeentelijke autonomie en de lokale democratie te bevorderen. Deze evolutie wordt door de ontwikkeling van het kapitalisme zelf opgeroepen. Industriële activiteiten verliezen meer en meer hun lokaal karakter door de centralisatie van het kapitaal dat oude lokale banden en regionale en zelfs nationale structuren overstijgt. De dominante fracties van de burgerij verliezen hun bindingen met lokale structuren en worden ook voor de lokale gemeenschap onkenbaar. De mobiliteit van kapitaal vereist mobiliteit van de arbeidersklasse, die van haar lokaal gemeenschapsleven wordt beroofd en losgerukt. Hierdoor verliezen lokale structuren aan kracht: zowel burgerij en arbeidersklasse worden steeds minder lokaal. De afbraak van lokale reproductiepatronen impliceert de vernietiging van de ‘plaatselijkheid’ zelf als de vorm waardoor mensen hun leven ervaren.[22] De centralisatie van de staat weerspiegelt en bevordert de desintegratie van het lokale als bestaansvorm zowel van het kapitaal als van de arbeidersklasse en haar cultuur.


10. Inspraak en participatie: strijd om een strategie


De schaalvergroting, centralisatie en uitholling van de lokale staat, tendensen die aan de ene kant functioneel zijn voor de burgerlijke hegemonie, brengen zelf ook weer nieuwe problemen mee. De ideologische betekenis van de lokale staat wordt er immers diepgaand door beïnvloed. De kwantitatieve vermindering, de partijpolitisering en de professionalisering van gemeentelijke raadsleden bedreigt het bestaan zelf van de traditionele bindingen tussen de lokale bevolking en de lokale staat. Patronen van representatie en identificatie van de lokale gemeenschap t.a.v. de lokale staat, die aan de lokale staat juist een specifieke legitimiteit gaven, worden ernstig in gevaar gebracht.

Als onmiddellijk gevolg hiervan zien we een vermindering van de directe betrokkenheid van de lokale arbeidersklasse in de lokale staatsapparaten en een vermindering van de legitimiteit van de lokale staat. Scholen klagen van een vermindering van de ouderparticipatie; de gemeentelijke politie spreekt soms van een verlies aan vertrouwen in de lokale gemeenschap en van een vermindering van lokale sociale controle van criminaliteit; lokale welzijnsvoorzieningen spreken van een toenemend onvermogen om aansluiting te vinden bij spontane vormen van hulpverlening in de lokale gemeenschap, enz. Al deze waarnemingen zijn enerzijds als een wegkwijnen van het traditioneel gemeenschapsleven geïnterpreteerd, maar duiden evenzeer op een politiek-ideologische verwijdering van de arbeidersklasse (en de bevolking in het algemeen) van de lokale staat.

Het anti-etatisme, geïnterpreteerd als een de-identificatie met de staat, slaat dus over op de lokale staat en dreigt electoraal door de neoliberalen te worden uitgebuit.


Vanuit de staat is hierop gereageerd door te trachten lokale identificatiemechanismen weer op te bouwen en op te wekken door allerlei vormen van inspraak, participatie en samenlevingsopbouwinitiatieven. Cockburn noemt dit de ‘community approach’ en wordt door haar geïnterpreteerd als een vorm van management van de lokale bevolking.[23] In het onderwijs, culturele verenigingen, sociale voorzieningen, enz. tracht de lokale staat haar relaties met de lokale gemeenschap te verbeteren, niet door een fundamentele democratisering maar door het herwinnen van legitimiteit.

Inspraak en overleg hebben weinig met democratisering van de lokale staat te maken, maar maken deel uit van nieuwe vormen waarop de staatsmacht wordt uitgeoefend en waarop de staat haar relatie met de lokale bevolking wenst te regelen.

Van Den Brink spreekt van een productieve en functionele koppeling van planning en regulatie enerzijds en uitspraak en participatie anderzijds, en relateert dit aan wat Foucault de disciplinaire maatschappij heeft genoemd.[24]

Overigens lijkt de inspraak- en participatiegolf wat geluwd. Zowel de lokale bevolking als de lokale besturen zijn nauwelijks op de enigszins geforceerde trend ingegaan. De ‘onwil’ van de bevolking om in een zogenaamde democratisering van het lokale politiek en sociaal-cultureel leven mee te stappen, komt vanzelfsprekend niet voort uit een correcte analyse van de beheersingsmomenten. Het is m.i. zo dat de inspraak als beheersstrategie gefaald heeft o.m. omdat de lokale bevolking in de geforceerde en van boven af opgelegde inspraakprocedures geen aansluiting zag met haar eigen materiële en culturele behoeften.


Daarbij maakte deze lokale bevolking overigens weinig onderscheid met de eveneens als opgelegd en overhaast aangevoelde pogingen van progressieve buurtwerkers en actiegroepen om de lokale gemeenschapspatronen weer op te bouwen en te politiseren. Toch kunnen deze initiatieven niet op gelijke noemer gebracht worden met de beheersingsstrategieën die vanuit de staat zijn opgezet, en dit niet enkel omwille van hun politieke bedoelingen.

In heel wat buurtwerken en samenlevingsopbouwprojecten slaagt men er geleidelijk aan wel in het vertrouwen en het engagement van de lokale gemeenschap in te winnen. De mate waarin deze initiatieven de verdediging van lokale belangen door de lokale gemeenschap zelf weten te katalyseren en te begeleiden zonder daarbij deze gemeenschap terug aan de lokale staat te binden, lijkt daarbij het beslissend criterium te zijn. Politiek gezien kunnen ze mits een aantal voorwaarden en veel geduld bijdragen tot een democratisering van onze politieke verhoudingen.

Inspraak en participatie worden dus inzet van verschillende strategische visies: de strijd om de lokale gemeenschap.[25]


11. Besluit


Ik heb met dit artikel willen aantonen dat de tegenstellingen tussen lokale en centrale staat, politiek gezien voor de arbeidersbeweging en de linkerzijde geen neutrale tegenstellingen zijn. De interne contradicties van de burgerlijke staat weerspiegelen en geven uitdrukking aan de verschillende themata die de klassenstrijd in een bepaalde historische conjunctuur oproept. M.i. komt het er in een politieke strategie op aan deze tegenstellingen open te leggen, te politiseren en om te vormen tot breukpunten in het veld van de politiek-ideologische klassenstrijd. De lokale staat vormt, in haar structurele contradicties met de centrale staat, één van de centra waar de arbeidersklasse binnen de burgerlijke staat de krachtsverhoudingen diepgaand kan beïnvloeden. De conflicten, waarin de tegenstellingen tussen centrale en lokale staat zich momenteel manifesteren, maken de inzet van de strijd om de lokale staat van bijzonder groot belang.

In de eerste plaats gaat het om de strijd om de reproductiesfeer, waar heel wat progressieve bewegingen geconfronteerd worden met tegenstellingen tussen centrale en lokale besturen.

In de tweede plaats is er de strijd om de legitimiteit en de hegemonie over de lokale gemeenschap, waar inspraak- en participatieprocedures geconfronteerd worden met verzet en politisering van het lokale. Ten slotte zijn er nog tal van andere themata die meespelen zoals: vrede en ontwapening, de strijd om het milieu en tegen kernenergie, de solidariteit met de derde wereld, enz. Al deze conflicten en strijdvormen worden opgeroepen in de strijd om de lokale staat. Het zijn de themata die ook bij deze gemeenteraadsverkiezingen spelen.

_______________
[0] Met dank aan Koen Raes en Frank Simon voor een aantal suggesties en verbeteringen.
[1] O.a. bij Poulantzas is de lokale staat afwezig; Stuurman vermeldt de ondergeschikte besturen, maar besteedt aan de verhoudingen lokale-centrale staat verder geen aandacht. N. POULANTZAS, Political power and social classes, London, 1973;
N. POULANTZAS, State, power, socialism, London, 1978;
S. STUURMAN, Kapitalisme en burgerlijke staat, Amsterdam, SUA, 1978.
[2] De politieke geschiedschrijving is nagenoeg exclusief nationaal georiënteerd, zie bv. E. WITTE & J, CRAEYBECKX, Politieke geschiedenis van België, Antwerpen, 1982; dat dit werk weinig aandacht besteedt aan lokale politieke processen is verwonderlijk gezien het belangrijk onderzoekswerk van een der auteurs op dit vlak: E. WITTE, Politieke machtsstrijd in en om de voornaamste Belgische steden, 1830-1848, Brussel, 1973.
[3] Zie bv. H, WUYTS, Gemeente, hoeksteen van de democratie?, Streven jg. 44, 1977, pp. 316-322: H. WUYTS, Blokkades: de lokale dimensie, De Nieuwe Maand. jg. 24, 1981, nr. 5, pp. 365-371.
[4] Zie C. LIS & H. SOLY, Armoede en kapitalisme in pre-industrieel Europa, Antwerpen, 1980
[5] S. STUURMAN, Kapitalisme..., p. 264.
[6] E. WITTE. Politieke machtsstrijd..., p. 181
22 23
[7] Ibid., p. 181; niet alle antiklerikalen en liberalen waren tegen de benoeming van de burgemeester door de centrale staat; zo was o.m. Rogier voor deze regeling, omdat ze een consolidatie van de revolutionaire staat en een nieuw gezagselement van de centrale staat impliceerde, daarmee treffend de dubbelzinnige houding van de burgerij tegenover de lokale staat illustrerend.
[8] ibid. p. 469.
[9] L. MICHIELSEN, Geschiedenis van de West-Europese arbeidersbeweging, Dl. 1; Gent, 1976, p. 215.
[10] D. BLEITRACH, Région métropolitaine et appareils hégémoniques locaux. Espaces et Sociétés, n° 20-21, 1977, p. 61.
[11] R. GRAY, Bourgeois hegemony in Victorian Britain, in: J. BLOOMFIELD (ed.), Class, hegemony and party, London, 1977, pp. 73-94, p. 88 e.v.; ‘Subalterne intellectuelen’ – een begrip van Gramsci – zijn verspreiders van bestaande, niet door hen ontwikkelde ideologische inhouden en die, gerekruteerd uit en verbonden met de volksmassa’s een belangrijke functie hebben in het reproduceren van de hegemonie op het niveau van de massa’s, bv. volksonderwijzers, enz.
[12] Geciteerd bij N.H. BUCK, The analysis of state intervention in nineteenth century cities: the case of municipal labour policy en East London, in: M. DEAR & A.J. SCOTT (eds.), Urbanization and urban planning in capitalist society, London – N.Y., 1981, pp. 501-533, p. 529.
[13] H. ROLAND HOLST, Kapitaal en arbeid in Nederland. Dl. 2, Nijmegen, 1973 (1931), p. 235; zie ook de analyse van A. BRUSTON, Le socialisme municipal. Tradition, illusion, trahision?, Espaces et Sociétés, n° 20-21, 1977, p. 16 e.v.
[14] Zie J. PUISSANT, La politique municipaliste socialiste dans trois commences Bruxelloises – 1884-1895, Contributions à l’histoire économique et sociale. Tome IV, 1966, ULB, pp. 91-112.
[15] Le Peuple, 7/11/1895, geciteerd bij J. PUISSANT, La politique..., p. 111.
[16] H. ROLAND HOLST, Kapitaal..., 235.
[17] Cfr. D. VAN DAMME, Klassenstrijd en de crisis van de welvaartsstaat, VMT, jg. 16, 1982, nr. 1.
[18] Cfr. F. HAEX, De crisis en de gemeentefinanciën, Kultuurleven, 1981, pp. 478-493.
[19] J. HIRSCH, The apparatus of the state, the reproduction of capital and urban conflicts, in. M. DEAR & A.J. SCOTT (eds.), Urbanization..., p. 595-607, p. 604.
[20] Cfr. C. COCKBURN, The local state. Management of cities and people, London, 1977, cha. 2
[21] Zie H. WUYTS, Blokkades...
[22] Cfr. J. CLARKE, Capital and culture. The post-war working class revisited, in: CCCS, Working class culture, London, 1979, p. 239.
[23] Zie C.COCKBURN, The local state..., ch. 4.
[24] G. VAN DEN BRINK, Bewegingen, crisis en staat, VMT, jg. 16, 1982, nr. 3.
[25] Zie W. VAN REES (red.), De strijd om de community, Deventer, 1981.