André Mommen

De crisis van het Belgisch kapitalisme


Bron: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 1982, nr. 5, december, jg. 16
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA

       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Het einde van het proletariaat?
De crisis 1974-1983
De lessen van de staking in België


De crisis van de unitaire Belgische staat kwam niet voor het eerst aan het licht bij het uitbreken van de economische crisis van de jaren zeventig.

Reeds in de periode van het klassieke imperialisme verscherpten zich tegenstellingen tussen de diverse fracties van de Belgische bourgeoisie. De Vlaamse fractie van de bourgeoisie verwierf een eigen identiteit en met intellectuelen als gangmakers streefde zij naar het veroveren van een plaats in het burgerlijk blok dat België in de periode tussen de beide wereldoorlogen regeerde.

De Vlaamse bourgeoisie leunde aan bij het Vlaams populisme en kwam in conflict met de heersende Franstalige bourgeoisie over de taalverhoudingen binnen het staatsapparaat en het afbakenen van de taalgrens tussen de beide bevolkingsgroepen (Walen en Vlamingen). Naarmate het gewicht van de Vlaamse economie toenam en de Waalse industrie aftakelde kwam ook de wijze waarop de industriepolitiek gefinancierd moest worden ter discussie.

De opkomende Vlaamse bourgeoisie wilde aanvankelijk op eigen kracht de industrialisatie in Vlaanderen voltooien. Zij werd in dat streven gefnuikt door de Franstalige Brusselse financiële aristocratie die haar belangen had geconcentreerd in de zware nijverheid van Wallonië en in de exploitatie van Congo. Investeren in Vlaanderen in de lichte industrie, hetgeen een totaal andere aanpak vergde, werd door de francofone Brusselse financiële bourgeoisie niet overwogen.

De francofone Brusselse bourgeoisie koos voor een defensieve strategie: de bestaande zware nijverheid verder uitbouwen en de diverse sectoren met elkaar vervlechten ten einde op die manier weerstand te kunnen bieden aan de buitenlandse concurrentie. Het aanhouden van een flinke reserve aan goedkope arbeidskrachten in Vlaanderen hoorde ook bij die strategie. Want door het loonpeil te drukken kon de Waalse nijverheid haar producten tegen concurrerende prijzen in het buitenland kwijt.

In vergelijking met de omliggende landen, zo berekende André Siegfried, waren de Belgische lonen in de jaren twintig erg laag (zie tabel 1).

Tabel 1
Index van de lonen in 1927
(Engeland = 100)

Engeland
100
USA
175
Canada
150-155
Denemarken
105-1 10
Nederland
85-90
Duitsland
65-70
Frankrijk
55-60
België
50-55
Italië/Oostenrijk/Polen
45-50

Bron: A. Siegfried, La crise britannique au XXe siècle, Parijs, A. Colin, 1931 p. 55.


Deze tegenstellingen vertaalden zich ook in de wijze waarop de opkomende Vlaamse bourgeoisie tegen de financiële en industriële strategie aankeek. De opkomende Vlaamse bourgeoisie wilde reeds van bij het begin (jaren twintig) het accent leggen op:
- goedkope energievoorziening voor de lichte nijverheid in Vlaanderen, bij voorbeeld door het rationaliseren van de elektriciteitssector en het loskoppelen van de Kempense steenkolenmijnen van de Franse en Waalse staalnijverheid;
- het beschermen van de binnenlandse productie in bepaalde sectoren als textiel, kleding, voedingsnijverheid;
- het opzetten van een eigen financiële macht via de in 1919 opgerichte Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid (NMKN) en de uit de Boerenbond en de Volksbank uit Leuven opgerichte Kredietbank;
- het kweken van een zuiver Vlaamstalige intellectuele elite die ook op commercieel vlak de aansluiting bij het Nederlandse taalgebied kon realiseren.


In de jaren dertig kwam daar nog bij dat een groot deel van de Vlaamse fabrikanten kozen voor een min of meer autoritaire en corporatistische ordening van het bedrijfsleven.

In de periode na de Tweede Wereldoorlog zou de Vlaamse bourgeoisie zich opwerpen als de speerpunt van het modernisme en de heerschappij van de francofone financiële bourgeoisie ook kunnen aantasten door een bondgenootschap aan te gaan met het multinationale kapitaal. De kracht van de populistische Vlaamse Beweging én de reformistische syndicale organisaties ondersteunden deze pretenties efficiënt (zie de afloop van de Grote Staking van 1960-1961).

De Vlaamse bourgeoisie botste binnen de Belgische unitaire staat echter nog altijd op de remmende kracht van de Brusselse financiële bourgeoisie die geen afstand wilde doen van haar machtsposities in sommige sectoren van de nijverheid en de energievoorziening (vooral de elektriciteitssector). De Brusselse holdingbourgeoisie had er alle voordeel bij dat zij haar financiële bronnen niet liet aantasten, zeker toen na 1960 Congo als bron van vette dividenden wegviel. De elektriciteitssector, met haar monopolistische structuur, werd langzaam maar zeker het middel om de dividendenstroom op gang te houden, dit in samenwerking met de ontwikkeling van nieuwe spitstechnologieën (kernenergie).


Voor de rest bleven de oude industriële structuren intact:
- de holdings onder aanvoering van de Société Générale controleerden met staatshulp de staalnijverheid en de steenkolensector. Staalnijverheid en steenkolenmijnen waren met elkaar vervlochten via een netwerk van participaties in het aandelenkapitaal;
- de andere sectoren onder controle van de Brusselse financiers kenden een oligopolistische structuur doordat de financiers deze ondernemingen hadden samengebracht in concerns. De belangrijkste waren UCO (katoen), UCB (chemie), Fabelta (kunstvezels), Petrofina (olie), Tabacofina (tabak), Prayon (zinkchemie), CBR (cement), PRB (springstoffen), FN (wapenfabrieken). ACEC (elektrische constructies), enz.


Deze structuren waren evenwel niet aangepast om de industriële vernieuwing in goede banen te leiden.

Door het systeem van controle over het aandelenkapitaal legden de holdings te zeer de nadruk op het incasseren van dividenden, hetgeen de interne financieringsbronnen van de ondernemingen uitputte. Door deze manier van financiële beheersing en financiering van ondernemingen raakte het Belgisch kapitalisme verstrikt in het immobilisme van de holdings.

De Vlaamse bourgeoisie legde het accent op de rol van het bankkapitaal als meest geëigende financieringsbron voor kleinere en middelgrote ondernemingen. De snelle opkomst van ondernemingen als Gevaert (fotochemie) en Bekaert (staaldraad) bewees de mogelijkheden van deze formule.

De alliantie met het buitenlandse kapitaal leidde in de jaren zestig evenwel tot het binnenhalen van multinationale fabrikanten die in Vlaanderen hun productieafdelingen stichtten, gebruik maakten van de kleinere toeleveringsbedrijven en ook de binnenlandse kapitaalmarkt afroomden. De Vlaamse bourgeoisie moest hier op belangrijke punten inleveren: Gevaert ging geleidelijk over in Duitse handen (Agfa Bayer), de Duitse scheepvaartbelangen (VEBA-Hugo Stinnes) werden te Antwerpen zeer invloedrijk, de fabriek van landbouwmachines van Claeys (Claeson) ging over in Amerikaanse handen, enz.

De Vlaamse bourgeoisie vervlocht zich met het multinationale kapitaal en was bereid mandaten in ontvangst te nemen in ruil voor de diensten aan de multinationals.

Dit alles kon evenwel niet verhinderen dat de Vlaamse bourgeoisie steeds meer tegemoet moest komen aan de federaliserende stroming die in brede delen van de bevolking opkwam en die zich uitdrukte in conflicten (Leuven; taalgrens; Brussel) en die leidde tot onontwarbare problemen bij het uitvoeren van de staatshervorming.

De staat en het financieren van de kapitaalsaccumulatie


Kenmerkend voor de crisis van het Belgisch staatsbestel is het onvermogen van de bourgeoisie om een samenhangende politiek te voeren met betrekking tot de financiering van de economische expansie. In een periode van expanderende vraag naar allerhande producten (1961-1974) vormde die financiering voorlopig geen probleem. De geldmiddelen waren toen ook overvloedig voorhanden om de infrastructuren te moderniseren en om de omschakeling van sectoren in moeilijkheden (vooral de steenkoolmijnen) mogelijk te maken.

Bleef het debat over de staatshervorming aanvankelijk beperkt tot zuiver culturele zaken (culturele autonomie), al spoedig verplaatste dit debat zich naar de wijze waarop de staat de ondernemingen in moeilijkheden moest financieren. Om de economische en dus ook fiscale én financiële eenheid te behouden moesten de regeringen de economische regionalisering of federalisering blokkeren. Dat werd vanaf 1978 vastgelegd door sectoren in moeilijkheden tot de bevoegdheid van de nationale regering te verklaren. Zo werden de staalindustrie, de textielindustrie, de scheepsbouw, de steenkoolmijnen en de glasverpakkingsindustrie geleidelijk onder de bevoegdheid van de nationale regering geschoven.

De herstructurering van deze sectoren in moeilijkheden vergde niet alleen enorme kapitalen, maar deed ook de klassenstrijd fel oplaaien. De herstructureringen draaiden allemaal rond maatregelen om de kosten te drukken. Daar heel wat kosten (prijzen van grondstoffen, energie, krediet) een ‘gegeven’ zijn, kwam dit neer op afschaffen van arbeidsplaatsen en/of verlagen van de lonen.

Naarmate het aan te trekken kapitaal schaarser en ook duurder werd begon vooral de Vlaamse bourgeoisie te mopperen. De oude Vlaamse fronde tegen de Waalse zware nijverheid werd weer actief. De vertegenwoordigers van de Vlaamse bourgeoisie drongen nu aan op een snelle sanering. Van Waalse zijde werd hiertegen ingebracht dat ook in Vlaanderen de textielnijverheid, de scheepsbouw en de steenkolenmijnen met kredieten geholpen werden. Ook de miljardendans rond het uitvoeren van de havenwerken in Antwerpen en daarna in Zeebrugge werd ter discussie gesteld.

Het oplopend staatstekort en het onvermogen om tot een grondige herziening van de te voeren industriële politiek te komen, legden een rem op de hervorming van het productieapparaat.

In normale omstandigheden zou de kapitalistische logica van het onvermijdelijke faillissement van verlieslatende ondernemingen voor die sanering hebben gezorgd. Doch de vakbeweging verzette zich tegen een herstructurering die eenzijdig op de rug van de arbeidersklasse zou worden geschoven. Dat verklaart de heftigheid waarmee de burgerlijke ideologen met neoliberale demagogie tegen de vakbeweging te keer gingen en ook de machteloosheid van de rooms-rode coalities. De vakbeweging bezat wel de macht om gedurende jaren de voor de arbeidersklasse nefaste gevolgen van de kapitalistische herstructurering te verzachten of uit te stellen, doch zij was niet bij machte om socialistische hervormingen door te zetten.


Door de uitbreiding van de dienstensector en het staatsapparaat had zich in België inmiddels een omvangrijk niet-productief apparaat ontwikkeld. In het staatsapparaat werkt vandaag een aanzienlijk leger van ambtenaren. Grofweg verdient één op de drie loonafhankelijke Belgen zijn of haar salaris bij de staat. Daarbij komen nog de diensten die in privéhanden zijn en die hoofdzakelijk de handel en de circulatiesfeer (banken, verzekeringen) van het kapitaal organiseren. Zo lang de staat uit de belastinggelden de loonkosten van het staatsapparaat kon dekken en daarbij nog ruime financiële middelen op de kapitaalmarkt kon vinden, was er geen vuiltje aan de lucht. Maar eenmaal de belastinginkomsten geen gelijke tred meer konden houden met de verhoogde uitgaven, en de economische crisis deze balans nog meer in ongunstige zin deed doorslaan, moesten er toch maatregelen worden getroffen.

Het drama was dat de staat niet zo maar ambtenaren kon ontslaan, noch de lonen kon verlagen zonder een ernstige deflatoire crisis te veroorzaken. Er werd wel bezuinigd op de uitgaven, maar dat herstelde het evenwicht nog niet. Om aan de lopende band verplichtingen te kunnen voldoen moesten steeds hogere bedragen worden geleend op de kapitaalmarkt. Eerst in België, later in het buitenland. De jaarlijkse stijging van de nationale schuld was explosief (zie tabel 2).

Tabel 2
Evolutie van de openbare schuld
(In miljarden franken)


Buitenlandse
schuld
(a)
Binnenlandse
schuld
(b)
Nationale
schuld
(a + b)
1973     + 51 - 4 + 55
1974 + 57 - 2 + 59
1975 + 110 - 1 + 111
1976 + 133 + 1 + 134
1977 + 168 + 1 + 169
1978 + 183 + 12 + 171
1979 + 121 + 42 + 170
1980 + 297 + 92 + 205
1981 + 454 + 214 + 240

Bron: Nationale Bank van België. Verslagen 1981.


Door het catastrofaal oplopen van het staatstekort geraakte ook de accumulatiepolitiek van de staat in gevaar. De staat was niet meer bij machte om door middel van een ruime kredietpolitiek de ondernemingen in moeilijkheden te redden of nieuwe investeerders naar België te lokken. De NMKN en de in 1962 opgerichte Nationale Investeringsmaatschappij (NIM) konden binnen deze context hun klassieke rol niet meer spelen. Zo moest de NMKN, om aan de kredietaanvragen te voldoen en de door de regering opgelegde leningen aan de sectoren in moeilijkheden te financieren, in 1981 de totale som van 69 miljard frank in het buitenland geleend kapitaal boeken. In 1979 was dat slechts 20,8 miljard frank. Het lenen van dergelijke gigantische bedragen in het buitenland is enkel gerechtvaardigd indien die leningen ook op kortere of langere termijn ‘renderen’, d.w.z. terugverdiend kunnen worden.

Doordat steeds grotere sommen afvloeiden naar ondernemingen met weinig toekomstmogelijkheden, gingen er ‘liberale’ stemmen op om met deze politiek te kappen.

De Vlaamse bourgeoisie stelde dat de Waalse staalindustrie een molensteen om de nek van de Belgische economie was en dat het financieren van deze verouderde fabrieken op afzienbare termijn moest ophouden. Indien de fabrieken niet meer rendabel konden worden gemaakt door middel van modernisering, dan moesten zij maar opgedoekt worden. Met ‘Vlaams geld’ werden bodemloze putten gevuld.

De regionale kredietpolitiek


De wetten op de economische expansie die nog dateren uit 1959 gingen uit van de filosofie dat bepaalde streken met hoge werkloosheid geholpen moesten worden om nieuwe industriële werkgelegenheid aan te trekken en om de ondernemingen die ten dode waren opgeschreven (vooral steenkolenmijnen) te kunnen sluiten. Deze filosofie lag ook aan de basis van het vage structuurbeleid dat voortsproot uit de neokapitalistische politiek om met behulp van prikkels de privé-investeerders naar België te lokken. Al met al moest de staat hier het ‘falend ondernemerschap’ ter hulp snellen.

De haken en ogen aan deze ontwikkelingspolitiek zijn evident. Er was van in het begin grote onduidelijkheid welke industrialisatie men beoogde en ook of de industrialisatie selectief moest zijn, dat wil zeggen nadruk moest leggen op het uitbouwen van een bepaald type van industrie. Daarbij werden de kredieten aan de regio’s in moeilijkheden toegekend op grond van zowel sociale als economische aanwijzingen, waarbij het eveneens onduidelijk was hoe die regio’s moesten ingepast worden in de globale industrialisatiepolitiek.

Die neokapitalistische signatuur van de expansiepolitiek bevorderde een onevenwichtige industrialisatie. De structurele zwakheid van bepaalde streken (Borinage, Limburg en Noorder-Kempen, Veurne, enz.) werd niet opgeheven. De tegenstellingen tussen de gebieden met oude en nieuwe industrie (globaal genomen tussen Wallonië en Vlaanderen) werden op de spits gedreven.

De macht van de Brusselse holdings over bepaalde segmenten van de economie (zware nijverheid, elektriciteit, non-ferro industrie, carbochemie, cement- en bouwnijverheid) werd niet aangetast door het inschakelen van staatshulp voor het financieren van bepaalde investeringen.

De tegenstellingen tussen de Waalse en Vlaamse gewesten kregen op die manier een economisch karakter. De Waalse industrie ontbeerde elke groeidynamiek en raakte ten aanzien van Vlaanderen achterop.

Het centrum van de industriële bedrijvigheid had zich namelijk sinds 1960 van Wallonië naar Vlaanderen verplaatst. De communautaire tegenstellingen diepten zich op die wijze uit tot een tegenstelling tussen de oude (Wallonië) en de nieuwe industrie (Vlaanderen). Uit de cijfers blijkt (zie tabel 3) dat Vlaanderen vooral het land is van de kleinere ondernemingen (PVBA’s), maar ook dat hier meer dan de helft van de omzet (in btw) in alle sectoren van de economie wordt gerealiseerd. Het tertiaire waterhoofd Brussel kan aan deze gegevenheid niets veranderen. Vlaanderen zorgt ook proportioneel voor een groot aandeel in de export van goederen en diensten.

Tabel 3
Kerncijfers over de Belgische economie
(Eind 1978)


Vlaanderen Wallonië Brussel België
Bevolking 5.600.903 3.225.041 1.015.710 9.841.654
Actieve bevolking 2.192.100 1.193.300 431.900 3.817.300






Aantal nv’s 9.937 4.538 7.351 21.826
Aantal pvba’s 26.464 9.828 8.745 45.037
Individuele ondernemingen 249.523 132.237 35.732 417.492






Volledig werklozen (oktober) 163.611 103.178 29.325 296.114
Werkloosheidsgraad (oktober)




Mannen 5,5 % 7,8 % 8,2 % 6,5 %
Vrouwen 21,9 % 25,0 12,9 % 21,5 %






Omzet (btw aangiften in miljoen fr.)




Landbouw 31.495 13.857 848 46.200
Industrie 1.637.977 652.659 716.352 3.006.988
Tertiair 1.829.327 556.391 1.160.781 3.546.498






Export (btw aangiften in miljoen fr.)




Landbouw 5.405 753 69 6.227
Industrie 704.235 306.444 280.373 1.291.052
Handel 654.570 75.331 422.662 1.152.564

Bron: Vlaams Economisch Verbond, Aspecten van de Vlaamse Economie, 1980.


De afbraak van de Waalse nijverheid moest omgebogen worden in de richting van herindustrialisatie. De Brusselse holdingmaatschappijen meenden evenwel dat deze reconversie – gezien hun financiële strategie – niet in hun politiek paste. Vandaar dat onder druk van de arbeidersbeweging en de regionale belangengroepen de staat steeds meer middelen moest vrijmaken om de failliete Waalse staalindustrie in leven te houden.

Het slepende probleem van de verlieslatende Waalse nijverheid holde de eenheid van de staat uit. Zeker naarmate ‘politieke’ criteria de toekenning van staatssteun aan het accumulatieproces van het kapitaal mede ging bepalen. Dat gold niet enkel voor het redden van noodlijdende ondernemingen, maar ook voor het steunen van de toekomstgerichte bedrijven in bij voorbeeld de luchtvaartindustrie. De tendens om de staatssteun te verbinden aan staatscontrole opgelegd door socialistische technocraten deed de politieke strijd verder oplaaien.

Vooral de ondernemers van het Vlaams Economisch Verbond en de multinationale ondernemingen keerden zich tegen de dirigistische keynesiaanse politiek van de rooms-rode coalities en helden nu over naar het neoliberalisme: de competiviteit van de industrie moet hersteld worden door het vrijmaken van alle ‘onnatuurlijke’ belemmeringen door de staat opgelegd om zieke ondernemingen uit sociale overwegingen in leven te houden.

In de strijd om de schaarser wordende staatsgelden werd ook de openbare kredietpolitiek van de rooms-rode coalities aangevochten. Vooral het Vlaamse patronaat was ontevreden over de kredieten die naar Wallonië vloeiden. Zo verstrekte de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid in 1981 ongeveer 60 % van haar kredieten aan Wallonië en slechts 35 % aan Vlaanderen. Dit onvoordelig resultaat is het gevolg van de enorme kredietbehoeften van de Waalse staalindustrie. Deze Waalse staalindustrie slokte in 1981 42,95 miljard frank op tegen slechts 8,18 miljard frank voor de Vlaamse staalfabriek van Sidmar.

De strijd tussen de diverse kapitaalsgroepen polariseerde zich vooral rond deze politiek-communautaire kwestie. Het bepalen van de te bekomen staatsmiddelen hoorde, aldus de woordvoerders van het Vlaamse patronaat, te gebeuren aan de hand van het duidelijke criterium dat degene die het meeste bijdraagt aan de ‘Belgische welvaart’ ook de meeste staatskredieten moet krijgen. Van de zijde van het Vlaamse patronaat wordt dan gewezen op het feit dat Vlaanderen in 1978 reeds voor een totale waarde van 1.365 miljard frank exporteerde, terwijl Wallonië en Brussel slechts uitkwamen op respectievelijk 373 en 713 miljard frank. Vlaanderen is dus verantwoordelijk voor 58 % van de Belgische export.

Volgens de ideologen van het Vlaams Economisch Verbond moeten de staatsinkomsten in Vlaanderen verworven niet overgeheveld worden naar Wallonië en Brussel. De Vlaamse belastingbetaler zou anders de andere gewesten financieren. Het fiscaal federalisme doorvoeren zou dus vooral voordelig zijn voor vele Vlaamse ondernemingen, omdat hierdoor het belastingpeil zou gebruikt kunnen worden (zie tabel 4). Het staatstekort wordt vooral in de hand gewerkt door het Waalse en Brusselse deficit. De levensstandaard van de Vlaamse bevolking zou, aldus deze theorie, gedrukt worden door de ‘Belgische armoede’ veroorzaakt door de failliete Waalse industrie.

Tabel 4
Inkomsten en uitgaven van de Staat (1981)
uitgedrukt in percenten van het bruto regionaal product tegen factorkosten


Vlaanderen Wallonië   Brussel   België
Lopend tekort - 3,5 - 22,5 - 4,6 - 8,9
Globaal tekort - 10,9 - 34,0 - 10,7 - 17,2
Totaal der uitgaven   58,8   88,1   49,0   65,2

Bron: Snelberichten VEV, VIII, 17.2.82, nr.7.


Het verder doorvoeren van het economisch, fiscaal en financieel federalisme zou voor de Vlaamse bourgeoisie een uitweg kunnen betekenen.

De cijfers van de regionale spreiding van het staatstekort zeggen evenwel nog niets over de ware belangentegenstellingen binnen de Belgische bourgeoisie zelf. Het doorvoeren van het economisch federalisme en het afstoten van de verantwoordelijkheid voor het financieren van het eigen deficit per regio zijn twee dingen die niet noodzakelijk de belangengemeenschap van de Belgische financiers verstoren.

De Belgische holdings zijn inmiddels grotendeels uit de zware nijverheid gestapt en multinationaliseren hun financiële operaties in versneld tempo. De grote holdings, met als gangmaker de groep Cobepa, hebben reeds lang begrepen dat zij hun belangen beter kunnen diversifiëren en dat ze moeten inspelen op regionale groeikernen. Daarbij zou het traditionele holdingkapitaal moeten overschakelen op het financieren van nieuwe projecten en minder moeten vasthouden aan het controleren van de zware nijverheid. De nieuwe projecten kunnen beter opgezet worden buiten het kader van de traditionele industrietakken, omdat zij zich op die wijze ook beter kunnen manifesteren als ‘groeibedrijven’ die zich specialiseren in bepaalde diensten, het op punt stellen van technologieën en het commercialiseren van eindproducten. Vandaar dat het regionaliseren en federaliseren van de Belgische economie niet direct in vitale belangen van de holdings hoeft te treffen. De enige vraag die rest is op welke wijze de holdings het via hun banken geleende geld aan de verlieslatende zware nijverheid moeten recupereren.

Tot slot


De staat, die vanaf 1959 het kapitalistisch accumulatieproces moest stimuleren, kon sinds het uitbreken van de economische crisis in 1974 niet meer haar rol van stimulator spelen. Hierdoor verscherpte zich de strijd tussen de diverse fracties van de bourgeoisie om de schaarse kredietmiddelen toe te eigenen en om de industriële belangen te herstructureren. De crisis van de Belgische eenheidsstaat kreeg hierdoor tevens een nieuwe dimensie. De arbeidersbeweging, die zich lange tijd verschanste achter keynesiaanse posities, kon slechts met moeite de neoliberale aanvallen weerstaan. De neoliberale stroming won aan kracht, mede doordat het overgrote deel der ondernemers wilde teruggrijpen naar de kapitalistische logica van het winstherstel als voorwaarde om de crisis te overwinnen. Winstherstel dat primair door middel van loonsverlagingen moest worden afgedwongen.

Gebruikte Literatuur
Jaarverslagen van
- Nationale Investerings Maatschappij;
- Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid;
- Société Générale de Belgique;
- Cobepa;

Ministerie van Economische Zaken, De Belgische Economie in... (vanaf 1974). VEV. Snelberichten.
Weekberichten van de Kredietbank
Harvey C. Bunke, The Liberal Dilemma, Englewood Cliffs. Prentice-Hall, 1964
Michael P. Dooley, Herbert M. Kaufman, Raymond E. Lombra. The Political Economy of Policy-Making, Essays in Honor of Will E. Mason, Beverley Hills, Sage, 1979
Edgard O. Edwards, Employment in Developping Nations. Reports on a Ford Foundation Study, New York, Columbia U.P., 1974
James O’Connor, The Fiscal Crisis of the State, New York, St. Martin’s Press, 1973
Alan Peacock, The Economic Analysis of Government and Related Themes, Oxford. Martin Robertson, 1979