Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Het ontstaan van de kapitalistische grondrente

1. Inleiding


Het moet duidelijk zijn waar het werkelijke probleem zit met de behandeling van de grondrente, vanuit het standpunt van de moderne economie, als de theoretische uitdrukking van de kapitalistische productiewijze. Dit is zelfs door een groot aantal recente schrijvers nog steeds niet begrepen, zoals blijkt uit elke nieuwe poging om de grondrente “opnieuw” te verklaren. De nieuwigheid hier is bijna altijd het terugvallen in lang gevestigde standpunten. De moeilijkheid is niet om het door het landbouwkapitaal geproduceerde meerproduct en de hiermee corresponderende meerwaarde te verklaren. Deze vraag wordt opgelost in de analyse van de meerwaarde, geproduceerd door al het productieve kapitaal, in welke sector ook geïnvesteerd. De moeilijkheid ligt in het bewijzen van waar, na nivellering van de meerwaarde over de verschillende kapitalen naar een gemiddelde winst, volgens een proportioneel aandeel naar verhouding van grootte, overeenkomend met de hele meerwaarde, voortgebracht door het maatschappelijk kapitaal in alle productiesectoren, van waar na deze nivellering, volgens de ogenschijnlijk reeds plaatsgevonden verdeling van alle meerwaarde die te verdelen is, van waar het overschot van deze meerwaarde vandaan komt, dat het kapitaal in de grond geïnvesteerd in de vorm van grondrente, aan de grondeigenaar betaalt. Afgezien van de praktische motieven die de moderne economen, als woordvoerders van het industriële kapitaal, aanspoorden deze vraag te onderzoeken t.o.v. het grondeigendom – motieven die we zullen vermelden in het hoofdstuk over de geschiedenis van de grondrente – was de vraag voor hen als theoretici cruciaal. Toegeven dat het fenomeen van de rente voor het kapitaal, geïnvesteerd in de landbouw, voortvloeit uit een bijzonder effect van de belegging zelf, uit de aardkorst als een inherente eigenschap – dat betekent afstand doen van het waardebegrip zelf, daarmee afstand doen van elke mogelijkheid van wetenschappelijke kennis op dit gebied. Zelfs de eenvoudige waarneming dat de rente betaald wordt uit de prijs van het landbouwproduct – wat zelfs gebeurt daar waar er in natura wordt betaald, als de pachter zijn productieprijs wil realiseren – toont de absurditeit om het overschot van deze prijs boven de gebruikelijke productieprijs te verklaren, dus de relatieve prijs van het landbouwproduct te verklaren uit het overschot van de natuurlijke productiviteit van de agrarische industrie ten opzichte van de productiviteit van de andere bedrijfstakken; integendeel, hoe productiever de arbeid, hoe goedkoper ieder evenredig deel van het product is, omdat hoe groter de massa gebruikswaarde is, met daarin dezelfde hoeveelheid arbeid, bijgevolg dezelfde waarde voorstelt.

Heel de moeilijkheid met het analyseren van de rente bestond dus in het verklaren van het overschot van de agrarische winst boven de gemiddelde winst, niet de meerwaarde, maar de overtollige meerwaarde, kenmerkend voor deze productiesector, dus ook niet het “nettoproduct”, maar het overschot van dit nettoproduct boven het nettoproduct van de andere industrietakken. De gemiddelde winst zelf is een product, een vorm van een onder zeer bepaalde historische productieverhoudingen plaatsvindend maatschappelijk levensproces, een product, dat, zoals we hebben gezien, zeer uitgebreide bemiddeling veronderstelt. Om te kunnen spreken van een surplus op de gemiddelde winst, moet deze gemiddelde winst zelf een standaard zijn en, zoals het geval is in de kapitalistische productiewijze, een regulator van de productie in het algemeen. In maatschappijen waar het kapitaal nog niet de functie uitoefent van alle meerarbeid te gijzelen en alle meerwaarde in eerste instantie zichzelf toe te eigenen, waar dus het kapitaal de maatschappelijke arbeid nog niet of slechts sporadisch heeft onderworpen, kan er daarom geen sprake zijn van rente in de moderne zin, een rente die bestaat uit een surplus op de gemiddelde winst, d.w.z. boven het proportionele aandeel van elk afzonderlijk kapitaal in de geproduceerde meerwaarde van het totale maatschappelijke kapitaal. Hier toont zich bv. de naïviteit van de heer Passy (zie verderop), als hij spreekt over de oertoestand van de rente, als een surplus op de winst – over een historisch bepaalde maatschappelijke vorm van de meerwaarde, die volgens de heer Passy vrijwel zonder de maatschappij kan bestaan.

Voor de oudere economen, die beginnen met de analyse van de, op dat moment nog onontwikkelde, kapitalistische productiewijze, gaf de analyse van de rente ofwel geen probleem, ofwel een heel ander probleem. Petty, Cantillon, en alle andere schrijvers die nog aanleunen bij de feodaliteit, beschouwen de grondrente als de normale vorm van meerwaarde, terwijl de winst nog onbepaald samengaat met het arbeidsloon, of hoogstens verschijnt als een deel van deze meerwaarde, die door de kapitalist van de grondeigenaar wordt afgedwongen. Ze gaan dus uit van een toestand waar, ten eerste, de agrarische bevolking nog steeds de overgrote meerderheid van de natie vormt, en ten tweede, waar de grondeigenaar nog steeds verschijnt als de persoon die als eerste de overtollige arbeid van de onmiddellijke producenten verwerft door het monopolie van de grondeigendom, waar dus ook de grondeigendom verschijnt als de belangrijkste voorwaarde voor de productie. Voor hen bestond de vraag nog niet, integendeel, vanuit het oogpunt van de kapitalistische productiewijze, onderzoekt men hoe de grondeigendom erin slaagt om het kapitaal een deel van het geproduceerde product te ontfutselen, dat ze als eerste zich toe-eigende (d.w.z. afgeperst van de onmiddellijke producenten).


Bij de fysiocraten heeft het probleem al een ander karakter. Als feitelijk de eerste systematische vertolkers van het kapitaal, proberen zij de aard van de meerwaarde in het algemeen te analyseren. Die analyse valt voor hen samen met de analyse van de rente, de enige vorm waarin de meerwaarde voor hen bestaat. Het rentegevende of agrarisch kapitaal is daarom voor hen het enige kapitaal dat meerwaarde produceert, en het werk in de landbouw de enige meerwaarde producerende arbeid, wat vanuit kapitalistisch oogpunt correct de enige productieve arbeid is. Het genereren van meerwaarde geld voor hen terecht als bepalend. Afgezien van andere verdiensten, uiteen te zetten in boek 4, allereerst de grote verdienste van het alleen in de circulatiesfeer fungerende handelskapitaal terug te keren naar het productieve kapitaal, in tegenstelling tot het mercantiele systeem, dat in zijn grof realisme de vulgaire economie van zijn tijd vertegenwoordigde, omwille van de eigen praktische belangen is het begin van de wetenschappelijke analyse van Petty en zijn opvolgers naar de achtergrond geduwd. En terloops gaat het, bij de kritiek op het mercantiel systeem, alleen om zijn zienswijze op kapitaal en meerwaarde. We hebben al eerder aangestipt [zie Voorwoord tot de bijdrage tot de kritiek op de politieke economie] dat het monetaire systeem de productie voor de wereldmarkt en de verandering van de producten in waren, dus in geld, precies de kapitalistische productie veronderstelt en de voorwaarde ervan openbaart. In de verdere ontwikkeling in het mercantiele systeem is het niet meer de verandering van warenwaarde in geld, maar de meerwaardeproductie, maar vanuit het onbegrepen standpunt van de circulatiesfeer en tegelijk zo, dat deze meerwaarde zich voorstelt in surplusgeld, in een handelsbalansoverschot. Maar tegelijkertijd karakteriseren de belanghebbende handelaren en fabrikanten van die tijd deze periode van de kapitalistische ontwikkeling adequaat, nl. in het feit dat in de transformatie van de feodale agrarische samenlevingen in industriële en in de overeenkomstige industriële strijd van de naties op de wereldmarkt, er een versnelde ontwikkeling van het kapitaal is, die niet afhankelijk is van de zogenaamde natuurlijke manier, maar wel door middel van dwang. Het maakt een enorm verschil of het nationale kapitaal geleidelijk en langzaam industrieel wordt of dat deze transformatie door een belasting wordt versneld, door middel van beschermende tarieven, voornamelijk op landeigenaren, midden- en kleine boeren en ambachten, door de versnelde onteigening van de zelfstandige onmiddellijke producenten, door een agressieve versnelde accumulatie en concentratie van de kapitalen, kortom, door het stellen van versnelde productievoorwaarden van de kapitalistische productiewijze. Tegelijkertijd maakt het een enorm verschil in de kapitalistische en industriële exploitatie van de natuurlijke nationale productiekracht. Het nationale karakter van het mercantiele systeem is daarom niet zomaar een verbale frase van zijn woordvoerders. Onder het voorwendsel zich enkel in te laten met de rijkdom van de natie en de staatsmiddelen, verkondigen zij feitelijk de belangen van de kapitalistische klasse en de verrijking tot het uiteindelijke doel van de staat en proclameren ze de burgerlijke maatschappij tegenover de oude bovenaardse staat. Maar tegelijkertijd is er het bewustzijn dat de ontwikkeling van de belangen van het kapitaal en de kapitalistische klasse, van de kapitalistische productie, de basis is van de nationale macht en de nationale suprematie in de moderne maatschappij.


Verder is het correct van de fysiocraten dat in feite de gehele productie van de meerwaarde en dus de hele ontwikkeling van het kapitaal, zijn natuurlijke basis heeft in de productiviteit van de landarbeid. Als mensen niet in staat zijn om meer voedsel te produceren in één werkdag, dat wil zeggen, in enge zin, meer landbouwproducten, dan iedere arbeider voor de eigen reproductie nodig heeft, wanneer de dagelijkse consumptie maar voldoet voor zijn arbeidskracht, om het voedsel te produceren dat onmisbaar is voor de individuele behoefte, dan kan er helemaal geen sprake zijn van een meerproduct, noch meerwaarde. De productiviteit van de landbouwarbeid, hoger dan de individuele behoeften van de arbeiders, is de basis van alle maatschappijen en bovenal de basis van de kapitalistische productie, die een steeds groter deel van de maatschappij losweekt van de directe levensmiddelenproductie en, zoals Steuart zegt, in free hands [1ste oplage: free heads] verandert, beschikbaar voor de exploitatie in andere sectoren.

Maar wat moet men zeggen over de nieuwe economische auteurs zoals Daire, Passy enz., op de vooravond van de klassieke economie, zelfs op het sterfbed ervan, die komen tot het herhalen van de meest primitieve theorieën over de natuurlijke omstandigheden van meerarbeid en vandaar meerwaarde en daarmee geloven iets nieuws en beslissends over de grondrente te brengen, nadat deze grondrente allang ontwikkeld is als een bijzondere vorm en specifiek deel van de meerwaarde? Het karakteriseert de vulgaire economie dat wat in een bepaald stadium nieuw, origineel, diepgaand en rechtvaardig was, dat herhaald in een tijd waar het onbenullig, afgezaagd en fout is. Daarmee geeft ze toe dat ze niet eens een idee heeft van de problemen die de klassieke economie bezig hielden. Ze is verward met de vragen die alleen gesteld kunnen worden op een lager ontwikkelingsniveau van de burgerlijke maatschappij. Het zelfde voor het rusteloos en zelfgenoegzaam herkauwen van de fysiocratische stellingen over de vrijhandel. Stellingen die al een tijd elk theoretisch belang verloren hebben, hoezeer ze ook deze of gene staat in de praktijk nog interesseren.

In de eigenlijke natuurlijke economie, waar geen of maar een zeer onbeduidend deel van het landbouwproduct in het circulatieproces komt en zelfs maar een relatief onbeduidend deel van het product dat het inkomen van de grondeigenaren voorstelt, zoals bv. in de vele oud-Romeinse latifundia, zoals met de landhuizen van Karel de Grote, en zoals (zie Vingard, Histoire du travail) min of meer in de middeleeuwen, bestaat het product en het meerproduct van het grote landgoed in geen geval alleen uit de producten van de agrarische arbeid. Het omvat ook de producten van industriële arbeid. Huishoudelijk handwerk en manufacturenarbeid, als nevenactiviteit van de landbouw, die de basis is, is de voorwaarde van de productiewijze waarop deze natuurlijke economie rust, zowel in de Europese oudheid als in de middeleeuwen en in de Indiase gemeenschappen van vandaag, waar hun traditionele organisatie nog niet is vernietigd. De kapitalistische productiewijze elimineert deze samenhang volledig; een proces dat men algemeen in het laatste derde deel van de achttiende eeuw in Engeland kan bestuderen. Mensen die in min of meer half feodale maatschappijen zijn opgegroeid. Herrenschwand bv. beschouwde nog einde 18e eeuw deze scheiding van landbouw en manufactuur als een vermetel maatschappelijk waagstuk, als een onvoorstelbaar riskante manier van bestaan. En zelfs in de landbouweconomieën van de oudheid, die het meest analogie met de kapitalistische landbouw vertonen, in Carthago en Rome, is de overeenkomst groter met de plantage-economie dan met de reële vorm van de kapitalistische exploitatiewijze.[135] Een formele analogie, die ook in alle essentiële punten als bedrog verschijnt voor hen die de kapitalistische productiewijze begrijpen en niet zoals de heer Mommsen[136] in iedere geldeconomie ook een kapitalistische productiewijze ontdekt – een formele analogie vindt men niet in het oude vasteland van Italië, maar in Sicilië, omdat dit als een agrarisch tribuutplichtig eiland voor Rome diende en de landbouw was daarom in wezen op export gericht. Hier zijn het pachters in de moderne betekenis.

Een onjuiste opvatting van de aard van de rente is gebaseerd op het feit, en geheel in strijd met de voorwaarden van de kapitalistische productiewijze, dat de rente in natura voor een deel in tienden van de Kerk, voor een deel als een zeldzaamheid, vereeuwigd door oude contracten, zich de moderne tijd heeft ingesleept. Het wekt zo de indruk dat de rente niet afkomstig is van de prijs van de landbouwproducten, maar van de hoeveelheid producten, dus niet uit de maatschappelijke verhoudingen, maar van de aarde. We hebben eerder aangetoond dat hoewel de meerwaarde zich manifesteert in een surplusproduct, niet het surplusproduct, in de zin van een loutere toename van de hoeveelheid product, een meerwaarde weergeeft. Het kan een minwaarde vertegenwoordigen. De katoenindustrie zou anders in 1860, vergeleken met 1840, een enorme meerwaarde vertonen, terwijl daarentegen de prijs van het garen is gedaald. De rente kan als gevolg van een serie misoogsten enorm stijgen, terwijl de graanprijs stijgt, hoewel deze surpluswaarde zich weergeeft in een absoluut afnemende hoeveelheid dure tarwe. Omgekeerd, als gevolg van een reeks vruchtbare jaren kan de rente dalen, omdat de prijs daalt, hoewel de gedaalde rente in een grotere hoeveelheid goedkopere tarwe zit. Allereerst moet worden opgemerkt dat de productrente slechts een traditie is, overgedragen vanuit een vroegere productiewijze en zij als ruïne de traditie rekt, waarvan de contradictie met de kapitalistische productiewijze is dat deze is verdwenen uit de private contracten en daar waar de wetgeving kon ingrijpen, zoals het geval was met de kerktienden in Engeland, gewelddadig afgeschud is als een incongruentie. In de tweede plaats echter, waar het verder leefde op basis van de kapitalistische productiewijze, was het niets en kon het niet anders zijn dan een middeleeuwse vermomde uiting van de geldrente. Een qr. tarwe is bv. 40 sh. Van deze qr. moet een deel van het arbeidsloon dat erin zit vervangen en verkocht worden, om het opnieuw te kunnen investeren; een ander deel moet worden verkocht om het betreffende deel van de belasting te betalen. Zaaigoed en een deel van de mest, daar waar de kapitalistische productiewijze en daarmee de arbeidsdeling ontwikkeld is, gaan als waren in de reproductie en moeten daarom voor het vervangen worden gekocht; en opnieuw moet een deel van het qr. worden verkocht om hiervoor het geld te hebben. Voor zover ze niet echt als waren gekocht worden, maar als een product in natura worden afgenomen om als nieuwe productievoorwaarden in reproductie te komen – zoals het niet alleen gebeurt in de landbouw, maar in veel bedrijfstakken die constant kapitaal produceren – worden ze verrekend, geboekt en afgetrokken als elementen van de kostprijs. De slijtage van machines en vast kapitaal moet natuurlijk worden vervangen door geld. Uiteindelijk komt de winst, berekend op de kostensom, uitgedrukt in echt geld of in rekengeld. Deze winst is vertegenwoordigd door een bepaald deel van het brutoproduct, dat wordt bepaald door de prijs. Het deel dat overblijft, vormt de rente. Als de contractuele productrente hoger is dan het restant bepaald door de prijs, is er geen rente, maar wordt het van de winst afgetrokken. Vanwege deze mogelijkheid is de productrente, die de prijs van het product niet volgt, die meer of minder kan bedragen dan de werkelijke rente en die daarom niet alleen de winst kan verminderen, maar ook de componenten om het kapitaal te vervangen, een verouderde vorm. In feite is deze productrente, voor zover ze niet in naam, maar inhoudelijk rente is, uitsluitend bepaald door het surplus van de prijs van het product boven zijn productiekosten. Alleen veronderstelt ze deze variabele grootte als een constante. Maar het is zo’n geruststellend idee dat het product in natura ten eerste volstaat voor het voedsel van de arbeiders, dan om de kapitalistische pachter meer voedsel te geven dan nodig, en dat het surplus hierop de natuurlijke rente vormt. Precies zoals een katoenfabrikant 200.000 el fabriceert. Deze ellen volstaan niet alleen om zijn arbeiders, zijn vrouw, zijn nageslacht en zichzelf voldoende te kleden, hem bovendien nog katoen te laten om te verkopen en uiteindelijk een enorme rente in katoen te verrekenen. De zaak is zo simpel! Men trekt 200.000 el katoen af van de productiekosten en er moet een katoenoverschot als rente zijn. Bv., van 200.000 el katoen, £10.000 productiekosten deduceren zonder de verkoopprijs van het katoen te kennen, van katoen geld te deduceren, van een gebruikswaarde een ruilwaarde en vervolgens het overschot van de ellen katoen op een pond sterling vast te stellen, is inderdaad een naïeve voorstelling. Het is erger dan de kwadratuur van de cirkel, met ten minste het idee van een grens waarin rechte lijnen en krommen vervloeien. Maar het is het recept van de heer Passy. Haal geld uit het katoen, voordat het katoen in het hoofd of in de werkelijkheid in geld verandert! Het overschot is de rente, die echter naturaal (zie bv. Karl Arndt) en niet door een duivels “sofisme” begrepen moet worden! Op deze dwaasheid, het verminderen van de productieprijs met zus en zo schepels tarwe, het aftrekken van een geldsom van een kubieke meter, daarop komt deze restauratie van de natuurrente neer.


2. De arbeidsrente


Als men kijkt naar de grondrente in de meest eenvoudige vorm, de arbeidsrente, waarbij de directe producent een deel van de week de facto of juridisch gezien, met eigen gereedschap (ploeg, vee, enz.) de grond die feitelijk van hem is, bewerkt en de andere dagen van de week op het landgoed van de grondheer werkt, kosteloos voor de grondheer, dan is hier de zaak geheel duidelijk, rente en meerwaarde zijn hier identiek. De rente, niet de winst, is de vorm waarin de onbetaalde meerarbeid zich hier toont. In hoeverre de arbeider (self-sustaining serf [zich zelf onderhoudende lijfeigene]) hier een surplus kan verwerven boven zijn noodzakelijke bestaansmiddelen, dus een surplus op wat we in de kapitalistische productiewijze het arbeidsloon zouden noemen, dat is afhankelijk, bij verder gelijkblijvende omstandigheden, van de verhouding waarin zijn arbeidstijd opgedeeld is in arbeidstijd voor hemzelf en de tijd voor de herendienst. Dit overschot boven de meest essentiële bestaansmiddelen, de kiem van wat in de kapitalistische productiewijze als winst verschijnt, wordt daarom volledig bepaald door de hoogte van de grondrente, die hier niet enkel onmiddellijk onbetaalde meerarbeid is, maar ook als zodanig verschijnt; onbetaalde meerarbeid voor de ‘eigenaar’ van de productievoorwaarden, die hier samenvallen met de grond en, voor zover het een verschil maakt, is het maar bijkomstig. Het feit dat het product van de horige hier voldoende moet zijn, om behalve zijn levensonderhoud, zijn arbeidsvoorwaarden te vervangen, is een situatie die in alle productiewijzen hetzelfde is, aangezien het niet het resultaat is van zijn specifieke vorm, maar een natuurlijke voorwaarde van alle ononderbroken en reproductieve arbeid, van elke voortgezette productie die altijd tegelijkertijd reproductie is en dus reproductie van de eigen arbeidsvoorwaarden. Het is verder duidelijk dat in alle vormen waarin de directe arbeider de “eigenaar” blijft van de productiemiddelen en arbeidsomstandigheden die nodig zijn voor de productie van zijn eigen bestaansmiddelen, de eigendomsverhouding tegelijkertijd moet verschijnen als een directe relatie van heer en knecht, en de directe producent als een onvrije; de onvrijheid van de lijfeigenschap, die met de herendienst kan worden afgezwakt naar een loutere tribuutplicht. Hier is de onmiddellijke producent in het bezit van zijn eigen productiemiddelen, van de objectieve arbeidsvoorwaarden die nodig zijn voor de realisatie van zijn arbeid en voor de productie van zijn bestaansmiddelen, hij bedrijft zijn landbouw onafhankelijk, evenals de ermee verbonden landelijke huisindustrie. Deze zelfstandigheid wordt niet tenietgedaan door het feit dat deze kleine boeren, net als in India, een min of meer natuurlijke productiegemeenschap vormen, aangezien het hier slechts om een zelfstandige activiteit gaat in verhouding tot de, in naam, grondheer. Onder deze omstandigheden kan hun meerarbeid voor de nominale grondeigenaar alleen afgedwongen worden door niet-economische dwang, welke vorm dit ook aanneemt.[137] Dit onderscheidt het van de slaven- of plantage-economie, dat de slaaf hier werkt met vervreemde productieomstandigheden en niet zelfstandig. Persoonlijke verhoudingen van afhankelijkheid zijn daarom noodzakelijk, persoonlijke onvrijheid, in welke mate ook, en gebonden aan de grond als een onderdeel ervan, horigheid in de eigenlijke zin. Zijn het geen particuliere grondbezitters, maar is het, net als in Azië, de staat die tegelijk en direct als grondeigenaar en soeverein tegenover hen staat, dan vallen rente en belasting samen, of beter, er bestaat dan geen belasting, die verschilt van deze vorm van grondrente. Onder deze omstandigheden hoeft de verhouding van afhankelijkheid politiek en economisch geen hardere vorm te hebben dan die welke alle onderdanen van deze staat gemeen hebben. De staat is hier de allerhoogste grondheer. Soevereiniteit is hier het op nationaal niveau geconcentreerde grondeigendom. Daartoe bestaat er dan ook geen privé-eigendom, hoewel er zowel privé als gemeenschappelijk bezit en vruchtgebruik is van de grond.

De specifieke economische vorm waarin onbetaalde meerarbeid uit de directe producenten wordt gepompt, bepaalt de relatie tussen overheersing en knechtschap, omdat deze rechtstreeks uit de productie zelf voortkomt en op zijn beurt een beslissende invloed op de productie heeft. Op deze basis is echter de hele organisatie van de economische gemeenschap, zelf voortkomende uit de productieverhoudingen, gegrond en tegelijk zijn specifieke politieke vorm. Het is altijd de directe verhouding van de eigenaar van de productievoorwaarden met de directe producenten – een verhouding waarvan elke vorm altijd op natuurlijke wijze overeenkomt met een bepaald stadium van ontwikkeling en manier van werken, dus van zijn maatschappelijke productieve kracht – waarin we het diepste mysterie vinden, de verborgen basis van de hele maatschappelijke constructie, en dus ook van de politieke vorm van de relatie van soevereiniteit en afhankelijkheid, kortom van de specifieke vorm van de staat die altijd aanwezig is. Dit belet niet dat dezelfde economische basis – hetzelfde volgens de hoofdvoorwaarden – door ontelbare verschillende empirische omstandigheden, natuurlijke omstandigheden, raciale verhoudingen, extern werkende historische invloeden, enz., oneindige variaties en gradaties in uiterlijk kunnen vertonen, die alleen kunnen worden begrepen door een analyse van de empirisch gegeven omstandigheden.

Met betrekking tot de arbeidsrente, de meest eenvoudige en oorspronkelijke rentevorm, is het zeer duidelijk: de rente is hier de oorspronkelijke vorm van de meerwaarde en valt daarmee samen. Verder vereist het samenvallen van de meerwaarde met onbetaalde vreemde arbeid hier geen analyse, omdat het nog steeds bestaat in zijn zichtbare, tastbare vorm, want het werk van de directe producent voor zichzelf is nog steeds ruimtelijk en temporeel gescheiden van zijn arbeid voor de grondheer; en de laatste verschijnt rechtstreeks in de wrede vorm van dwangarbeid voor een derde partij. Evenzo wordt de “eigenschap” van de grond, het opbrengen van een rente, hier beperkt tot een duidelijk voor de hand liggend mysterie, omdat de aard van de rente ook de menselijke arbeidskracht omvat die geketend is aan de grond en de eigendomsverhoudingen, dat de bezitter dwingt om deze arbeidskracht te laten werken, zo dat het verder gaat dan wat nodig zou zijn om aan zijn onmisbare behoeften te voldoen. De rente bestaat direct in de toe-eigening van dit overschot van de gebruikte arbeidskracht door de grondeigenaar; want verder betaalt de directe producent deze geen rente. Hier, waar niet alleen de meerwaarde en de rente identiek zijn, maar die meerwaarde duidelijk de vorm heeft van meerarbeid, liggen de natuurlijke omstandigheden of grenzen van de rente, omdat de meerarbeid in het algemeen laag is. De onmiddellijke producent moet: 1. voldoende arbeidskracht hebben en 2. de natuurlijke voorwaarden voor zijn arbeid, in eerste instantie moet dus de te bewerken grond vruchtbaar genoeg zijn, kortom, de natuurlijke productiviteit van zijn arbeid moet groot genoeg zijn om hem de mogelijkheid te bieden van meerarbeid te geven boven de arbeid die nodig is om aan zijn eigen onmisbare behoeften te voldoen. Deze mogelijkheid creëert geen rente, dit doet alleen de dwang, die van de mogelijkheid een realiteit maakt. Maar de mogelijkheid zelf is gebonden aan subjectieve en objectieve natuurlijke voorwaarden. Ook hierin ligt helemaal niets mysterieus. Is de arbeidskracht laag en de natuurlijke arbeidsvoorwaarden schamel, dan is de meerarbeid laag, maar dan zijn er aan de ene kant de behoeften van de producenten, aan de andere kant het relatieve aantal uitbuiters van de meerarbeid en tenslotte het meerproduct, waarin de moeilijk te dragen meerarbeid voor dit gering aantal uitbuitende eigenaars wordt gerealiseerd.

Ten slotte is het in het geval van een arbeidsrente vanzelfsprekend dat, aangenomen dat alle andere omstandigheden gelijk blijven, dit volledig afhankelijk is van de relatieve omvang van de meerarbeid of herendienst, in welke mate de directe producent in staat zal zijn, zijn positie te verbeteren, zichzelf te verrijken om een overschot te genereren boven de onmisbare middelen van bestaan, of, als we willen anticiperen op de kapitalistische manier van uitdrukken, of en in welke mate hij winst maakt voor zichzelf, d.w.z., een surplus produceren bovenop zijn eigen arbeidsloon. Hier is de rente de normale, alles absorberende, legitieme vorm van de meerarbeid, en geen overschot bovenop de winst, d.w.z. boven een of ander overschot op het loon, het hangt niet af van de omvang van de winst, maar van het eigen bestaan, bij gelijk blijvende voorwaarden, van de omvang van de rente zelf; d.w.z. de meerarbeid, onder dwang geleverd aan de eigenaar.

Sommige historici hebben hun verbazing geuit dat, aangezien de directe producent niet de eigenaar is, maar alleen een bezitter, en rechtens en feitelijk al zijn meerarbeid eigendom is van de landeigenaar, er onder deze verhoudingen geen sprake is van een onafhankelijke ontwikkeling van vermogen en, relatief gesproken, rijkdom van de kant van de leenplichtigen of lijfeigenen. Het is echter duidelijk dat de traditie een overweldigende rol moet spelen in de natuurlijke en onontwikkelde omstandigheden waarop deze maatschappelijke productieverhouding en de corresponderende productiewijze is gebaseerd. Het is ook duidelijk dat het, zoals altijd, in het belang van het heersende deel van de maatschappij is, om het bestaande als een wet te heiligen en de grenzen van gebruik en traditie vast te leggen als legaal. Afgezien van al het andere is dit vanzelfsprekend zodra de constante reproductie, de basis van de bestaande toestand, van de onderliggende verhoudingen, in de loop van de tijd een geregelde en geordende vorm aanneemt; en deze gewoonte en orde is op zichzelf een onmisbare factor van elke productiewijze die een maatschappelijke stabiliteit en onafhankelijkheid van louter toeval of willekeur veronderstelt. Dit is precies de vorm van zijn maatschappelijke stabiliteit en daarom zijn relatieve emancipatie van louter willekeur en louter toeval. Het bereikt deze vorm onder stagnerende omstandigheden van zowel het productieproces als de maatschappelijke omstandigheden die ermee overeenkomen door de louter repetitieve reproductie van zichzelf. Duurt dit een tijd, bevestigt het zich als een gewoonte en traditie en wordt het uiteindelijk geheiligd als een expliciete wet. Omdat de vorm van deze meerarbeid, de herendienst, gebaseerd is op de onderontwikkeling van alle maatschappelijke arbeidskrachten, op de grove werkwijze zelf, moet deze natuurlijk een veel kleiner evenredig deel van de totale arbeid van de directe producenten wegnemen dan in de ontwikkelde productiewijzen, en vooral de kapitalistische productie. Neem bv. dat de herendienst voor de grondheer oorspronkelijk twee dagen per week is. Deze twee dagen van wekelijkse herendienst liggen daarmee vast, zijn onveranderlijk van grootte, gereguleerd door gewoonte of geschreven recht. Maar de productiviteit van de resterende weekdagen, die de onmiddellijke producent zelf bezit, is variabel van grootte, die in de loop van zijn ervaring evolueert, net als de nieuwe behoeften die hij leert kennen, net als de uitbreiding van de markt voor zijn product, de groeiende zekerheid waarmee hij over dit deel van zijn arbeidskracht beschikt, zal hem ertoe aanzetten zijn arbeidskracht in te spannen, waarbij niet te vergeten is dat het gebruik van deze arbeidskracht in geen geval beperkt is tot de landbouw, maar ook de huisindustrie op het platteland. De mogelijkheid van een bepaalde economische ontwikkeling is dus gegeven, uiteraard afhankelijk van gunstige omstandigheden, van een aangeboren raciaal karakter, enz.


3. De productenrente


De verandering van de arbeidsrente in een productenrente verandert economisch gezien niets aan de aard van de grondrente. In het systeem dat wij hier bestuderen, is ze de enige dominante en normale vorm van de meerwaarde of meerarbeid; hetgeen nogmaals tot uitdrukking brengt dat dit, meerarbeid of het meerproduct, het enige is dat de directe producent, die in het bezit is van zijn arbeidsvoorwaarden, nodig voor de eigen reproductie, aan de eigenaar, die deze toestand omsluit met de grond als arbeidsvoorwaarde, heeft te leveren; en dat aan de andere kant, het alleen de grond is, die hem als vreemde eigendom, zelfstandig en gepersonifieerd in de grondeigenaar, tegenover hem staat. Overigens, voor zover de productenrente de heersende en meest ontwikkelde vorm van grondrente is, is deze altijd min of meer vergezeld van restanten van de vroegere vorm, dit is, rente, rechtstreeks te leveren met arbeid, dat wil zeggen met herendienst, en dit gelijkelijk, of de grondheer een particulier is of de staat. De productenrente veronderstelt een hoger cultureel niveau van de directe producenten, dat wil zeggen een hogere ontwikkelingsgraad van zijn arbeid en van de maatschappij; en het verschilt van de vorige vorm in die zin dat de meerarbeid niet langer in zijn natuurlijke vorm wordt uitgevoerd, dus ook niet langer onder direct toezicht en dwang van de grondheer of zijn vertegenwoordiger; integendeel, de directe producent wordt gedreven door de kracht van de verhoudingen, in de plaats van directe dwang, en door wettelijke bepalingen, in plaats van de zweep, hij moet onder zijn eigen verantwoordelijkheid presteren. De meerproductie, in de zin van productie die boven de onmisbare behoeften van de directe producenten, tijdens en binnen het productiegebied dat hem feitelijk toebehoort, de door hemzelf geëxploiteerde grond, in plaats van als voorheen op het domein van de heer naast en buiten het zijne, is nu de onvermijdelijke regel. In deze verhouding bepaalt de directe producent min of meer het gebruik van zijn totale arbeidstijd, hoewel een deel van die arbeidstijd, en oorspronkelijk vrijwel al het overschot ervan, kosteloos aan de grondeigenaar toebehoort; alleen dat de laatste het niet langer rechtstreeks in natura ontvangt, maar in de natuurlijke vorm van het product waarin het wordt gerealiseerd. De lastige en naargelang de regeling van de herendienst, een min of meer storende en ingrijpende onderbreking omwille van de arbeid voor de grondeigenaar vervalt (vergelijk boek 1, hoofdstuk 8, 2. De geeuwhonger naar meerarbeid. Fabrikant en bojaar), daar waar de productenrente niet gemengd is, of op zijn minst gereduceerd tot een paar korte intervallen in een jaar, daar waar bepaalde herendiensten voortbestaan naast de productenrente. De arbeid van de producent voor zichzelf en zijn arbeid voor de grondeigenaar zijn niet langer tastbaar gescheiden in tijd en ruimte. De zuivere productenrente, hoewel het fragmenten kan meeslepen tot in de meer ontwikkelde productiewijze en productieverhoudingen, veronderstelt nog steeds een ruil in natura, d.w.z. dat de economische omstandigheden geheel of grotendeels uit de economie zelf komen en direct worden vervangen en gereproduceerd uit het brutoproduct van die economie. Het veronderstelt ook het verenigen van de landelijke huisindustrie met landbouw; het meerproduct, dat de rente vormt, is het product van deze gecombineerde agro-industriële familiearbeid, of nu, zoals vaak in de middeleeuwen het geval was, de productenrente min of meer industriële producten zijn, of in de vorm van de eigenlijke landbouwproducten. Met deze vorm van rente hoeft de productenrente, waarin de meerarbeid zit, geenszins de surplusarbeid van het boerengezin volledig op te nemen. De producent heeft integendeel een grotere speelruimte ten opzichte van de arbeidsrente, om tijd te hebben voor de surplusarbeid, waarvan het product hemzelf toebehoort, evenals het product van zijn arbeid, dat aan zijn meest onmisbare behoeften voldoet. Op dezelfde manier zullen met deze vorm grotere verschillen in de economische situatie van individuele directe producenten ontstaan. Tenminste de mogelijkheid bestaat, en de mogelijkheid dat de onmiddellijke producent nu de middelen heeft om andermans arbeid opnieuw uit te buiten. Maar dit is niet relevant voor ons, waar we te maken hebben met de pure vorm van de productenrente; zoals we helemaal niet kunnen ingaan op de oneindig verschillende combinaties waarin de verschillende vormen van rente kunnen worden gecombineerd, vervalst en vermengd. Door de vorm van de productenrente te koppelen aan een bepaald type product en aan de productie zelf, door de onmisbare verbinding van landbouw en huisindustrie, door de bijna volledige zelfvoorziening dat het boerengezin hierdoor verkrijgt, door hun onafhankelijkheid van de markt en van de beweging van productie en geschiedenis van de maatschappij, dat gedeeltelijk aan hen extern blijft, kortom door het karakter van de ruil in natura in het algemeen, is deze vorm heel geschikt als basis van de stationaire maatschappelijke omstandigheden, zoals wij dit bv. zien in Azië. Hier, net als in de vroegere vorm van de arbeidsrente, is de grondrente de normale vorm van meerwaarde en dus de surplus arbeid, d.w.z. van al het teveel aan arbeid dat de directe producent voor niets, ja zelfs verplicht – hoewel deze dwang niet meer in de oude brutale vorm tegenover hem staat – de eigenaar van zijn meest essentiële arbeidsvoorwaarden, de grond, moet realiseren. De winst, als we fout anticiperen, is het deel van het overschot van zijn arbeid boven de noodzakelijke arbeid, die hij zichzelf toe-eigent, bepaalt nauwelijks de productenrente, die veeleer achter zijn rug toeneemt en een natuurlijke grens heeft in de omvang van de productenrente. Dit laatste kan een reikwijdte hebben die de reproductie van de arbeidsvoorwaarden, de productiemiddelen zelf, in gevaar brengt, de verbreiding van de productie min of meer onmogelijk maakt en de levensmiddelen van de directe producenten verlaagt tot het fysieke minimum. Dit is wat er gebeurt wanneer een handelsnatie een land verovert waar dit rentestelsel is gevestigd en handhaaft om het te exploiteren, zoals de Engelsen hebben gedaan in India.


4. De geldrente


Onder geldrente verstaan we hier – in tegenstelling tot de industriële of commerciële grondrente op basis van de kapitalistische productiewijze, die slechts een overschot is op de gemiddelde winst – de grondrente die voortvloeit uit een loutere transformatie van de productenrente, die zelf maar een transformatie van de arbeidsrente was. In plaats van het product moet de onmiddellijke producent hier de grondeigenaar (of de staat of een particulier) de prijs ervan betalen. Een overmaat aan product in natura is daarom niet langer voldoende; het moet getransformeerd worden van deze natuurlijke vorm naar de geldvorm. Hoewel de directe producent zelf nog steeds het grootste deel van zijn levensonderhoud produceert, moet een deel van zijn product nu worden omgezet in waren, geproduceerd worden als waren. Het karakter van de hele productiewijze wordt dus min of meer veranderd. De waar verliest haar onafhankelijkheid, ze wordt losgemaakt van de maatschappelijke samenhang. De verhouding tussen de productiekosten, waarin meer of minder geld wordt uitgegeven, wordt beslissend; in elk geval wordt het overschot van het gedeelte van het brutoproduct dat moet worden omgezet in geld, tegenover het deel dat enerzijds terug als reproductiemiddel en anderzijds als een onmiddellijk bestaansmiddel moet dienen, beslissend. De basis van dit type rente blijft echter, hoewel het zijn ontbinding nadert, hetzelfde als bij de productenrente, dat het uitgangspunt vormt. De directe producent is nog steeds erfelijk of anders traditioneel bezitter van de grond, waar de grondheer als de eigenaar van deze meest essentiële productievoorwaarden, hem overtollige dwangarbeid laat doen, dus onbetaalde, zonder een equivalent te betalen voor de geleverde arbeid in de geldvorm, van het in die vorm veranderde meerproduct. Het eigendom van de andere arbeidsvoorwaarden, verschillend van de grond, landbouwgereedschap en andere inboedel, werd al in vroegere stadia veranderd, eerst feitelijk, dan juridisch, in de eigendom van de directe producenten, en nog meer is dit verondersteld met de geldrentevorm. Eerst sporadisch, dan min of meer op nationale schaal, veronderstelt de verandering van de productenrente in geldrente reeds een aanzienlijke ontwikkeling van de handel, van de stedelijke industrie, en van de warenproductie in het algemeen, dus van de geldcirculatie. Het veronderstelt ook een marktprijs van de producten en dat ze min of meer ongeveer worden verkocht tegen hun waarde, wat zeker niet het geval hoefde te zijn bij de vorige vormen. In oostelijk Europa zien we nog steeds voor een deel deze verandering. Hoe moeilijk dit is zonder een bepaalde ontwikkeling van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit blijkt uit verschillende mislukte pogingen in het Romeins Keizerrijk, om dit te hervormen, met op zijn minst een deel van deze rente, dat bestond als belasting, om te zetten in geldrente, met dan een terugval naar een rente in natura. Dezelfde moeilijke overgang is bv. te zien vóór de revolutie in Frankrijk, met de versmelting en vervalsing van de geldrente met restanten van vroegere vormen.

De geldrente als een getransformeerde vorm van de productenrente, en daaraan tegengesteld, is echter de laatste vorm en tegelijkertijd de vorm van de ontbinding van het type grondrente, die we tot nu toe hebben beschouwd, namelijk de grondrente als de normale vorm van de meerwaarde en te voldoen aan de eigenaar van de productievoorwaarden met onbetaalde meerarbeid. In zijn zuivere vorm vertegenwoordigt deze rente, net als de arbeids- en productenrente, geen overschot op de winst. Het absorbeert het overeenkomstig het begrip. Voor zover het zich feitelijk, en ernaast, voordoet als een bijzonder deel van de surplusarbeid, is de geldrente, net als de rente in vroegere vormen, nog steeds de normale barrière tegen deze embryonale winst, die zich alleen kan ontwikkelen in verhouding tot de mogelijkheid van uitbuiting, of het nu de eigen overtollige arbeid is, of vreemde arbeid, die overblijft na het verrichten van de meerarbeid vertegenwoordigt in de geldrente. Ontstaat er werkelijk een winst naast deze rente, dan is de winst niet een beperking voor de rente, maar omgekeerd, is de rente een belemmering van de winst. Maar zoals gezegd, is de geldrente tegelijk de vorm van ontbinding van het tot dusver beschouwde, met de meerwaarde en de meerarbeid, die prima facie samenvalt met de grondrente, de grondrente als de normale en dominante vorm van de meerwaarde.

Met de verdere ontwikkeling moet de geldrente leiden naar, afgezien van alle tussenvormen, zoals bv. die van de keuterboeren – tot de transformatie van de grond in een vrije eigendom voor de boer, of tot een vorm van kapitalistische productiewijze, tot een rente betaald door de kapitalistische pachter.

Met de geldrente verandert zich noodzakelijk het traditionele gewoonterecht tussen degenen die een deel van het land bezitten en bewerken en de grondeigenaar, in een contractuele, zuiver financiële relatie bepaalt door de vaste regels van positief recht. De bewerkende bezitter wordt daarom naar de aard der zaak slechts een pachter. Enerzijds wordt deze verandering, onder geschikte algemene productieverhoudingen, benut om de oude boerenbezitters langzaam te onteigenen en te vervangen door een kapitalistische pachter; anderzijds leidt het tot het vrijkopen van de rentevordering door de huidige bezitters en tot de transformatie in een zelfstandige boer, met volle eigendom op de door hem bewerkte grond. De verandering van de rente in natura in een geldrente werd niet alleen noodzakelijk vergezeld, maar ook geanticipeerd door de vorming van een klasse van bezitlozen en dagloners, te huur voor geld. Tijdens de periode van wording, wanneer deze nieuwe klasse nog maar sporadisch voorkomt, is het voor de beter gestelde boeren, die rente moeten betalen, noodzakelijk geworden om op eigen rekening landbouwarbeiders te exploiteren, net zoals in het feodale tijdperk de meer welgestelde boeren zelf horigen hielden. Zo ontwikkelt zich gaandeweg de mogelijkheid om een zeker vermogen te verzamelen en zichzelf te transformeren in toekomstige kapitalisten. Onder de oude zelfwerkende bezitters van de grond ontstaat zo een kweekplaats van kapitalistische pachters, waarvan de ontwikkeling wordt bepaald door de algemene ontwikkeling van de kapitalistische productie buiten het platteland en die zeer snel opkomt, wanneer, zoals in de zestiende eeuw in Engeland, de omstandigheden zo gunstig waren, met de toenmalige progressieve ontwaarding van het geld, de traditionele lange termijn pachten hen verrijkten, ten koste van de grondeigenaren.

Bovendien, zodra de rente de vorm aanneemt van de geldrente en dus de verhouding tussen de rente betalende boer en de grondeigenaar een contractuele verhouding aanneemt – een verandering die alleen mogelijk is met een relatief ontwikkelingsniveau van wereldmarkt, handel en manufactuur – is er ook noodzakelijk de verpachting van de grond aan de kapitalisten, die tot dan toe er buiten waren gebleven, en nu het in de steden verdiende kapitaal, met de kapitalistische werkwijze die reeds in de steden was ontwikkeld, de landbouwproductie ziet als louter koopwaar en als louter middel om de meerwaarde toe te eigenen. Deze vorm kan alleen een algemene regel worden in de landen die de wereldmarkt domineren in de overgang van de feodale naar de kapitalistische productiewijze. Met de tussenkomst van de kapitalistische pachters tussen de grondeigenaren en de reële werkende boeren, worden alle verhoudingen, voortgekomen uit de oude landelijke productiewijze, verscheurd. De pachter wordt de echte baas van deze landarbeiders en de echte uitbuiter van hun meerarbeid, terwijl de grondeigenaar alleen in een directe verhouding, en duidelijk een geld- en contractuele relatie, staat tegenover de kapitalistische pachter. Dit verandert ook de aard van de rente, niet alleen feitelijk en toevallig, wat al gedeeltelijk gebeurde onder de eerdere vormen, maar normaal, in zijn onbetwiste en dominante vorm. Van de normale vorm van meerwaarde en meerarbeid verzinkt het tot het overschot van de meerarbeid boven het deel dat door de kapitalist wordt toegeëigend in de vorm van winst; of hoe de gehele meerarbeid, winst en het overschot op de winst, direct geëxtraheerd wordt, in de vorm van het totale meerproduct en verzilverd wordt. Er is alleen nog een overschot van deze meerwaarde dat door hem uit hoofde van zijn kapitaal gewonnen, door de directe exploitatie van de landarbeid, dat hij als rente aan de grondeigenaar afstaat. Hoeveel of hoe weinig hij afstaat, wordt gemiddeld bepaald als een limiet, door de gemiddelde winst dat het kapitaal maakt in de niet-agrarische productiesectoren en door de niet-agrarische productieprijzen, die door hen worden gereguleerd. Van een normale vorm van meerwaarde en meerarbeid is de rente nu getransformeerd in een overschot boven dat deel van de meerarbeid dat tevoren door het kapitaal is opgeëist als zijn legitiem en normaal aandeel, en kenmerkend is voor deze specifieke productiesector, de landbouw. In plaats van rente, is winst nu de normale vorm van meerwaarde geworden, en de rente wordt alleen nog beschouwd als een specifieke zelfstandige vorm, niet van de eigenlijke meerwaarde, maar van een loot, de surpluswinst. Het is niet nodig om in detail te treden, hoe deze transformatie overeenkomt met een geleidelijke transformatie in de productiewijze zelf. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat het normaal is voor de kapitalistische pachter om het landbouwproduct als een waar te produceren, en dat, terwijl alleen het overschot van zijn bestaansmiddelen wordt veranderd in waren, een relatief verdwijnend deel van deze waren zich direct veranderen in bestaansmiddelen voor hem. Het is niet langer het land, maar het kapitaal, dat zichzelf en zijn productiviteit, die de landbouwarbeid onderwerpt.

De gemiddelde winst en de productieprijs die door haar wordt gereguleerd, worden gevormd buiten de plattelandsverhoudingen, in de stedelijke handel en manufacturen. De winst van de rente betalende boeren compenseert hen niet, omdat zijn verhouding tot de grondeigenaar geen kapitalistische verhouding is. Voor zover hij winst maakt, d.w.z. een surplus realiseert boven zijn noodzakelijke bestaansmiddelen, hetzij door eigen arbeid of door uitbuiting van andermans arbeid, gebeurt het achter de rug van de normale verhoudingen en is, onder gelijke omstandigheden, de hoogte van deze winst niet bepalend voor de rente, maar omgekeerd. Het is door de rente gelimiteerd. De hoge winstvoet in de middeleeuwen is niet alleen te wijten aan de lage samenstelling van het kapitaal, waarin het variabele element van de lonen de overhand heeft. Het is te wijten aan de afzetterij op het land en de toe-eigening van een deel van de rente van de grondeigenaren en het inkomen van de onderdanen. Als het platteland in de middeleeuwen de stad politiek uitbuit, overal waar het feodalisme niet gebroken is door een uitzonderlijke stedelijke ontwikkeling, zoals in Italië, exploiteert de stad overal en zonder uitzondering het platteland economisch door hun monopolieprijzen, hun belastingstelsel, hun gilden, hun directe commerciële fraude en woeker.

Men zou zich kunnen voorstellen dat de loutere toetreding van de kapitalistische pachter tot de landbouwproductie bewijst dat de prijs van de landbouwproducten, die altijd al een rente in een of andere vorm opbrachten, ten minste bij aanvang, hoger is dan de productieprijs van de manufactuur; omdat hij de hoogte heeft van een monopolieprijs, of omdat hij is gestegen tot de waarde van de landbouwproducten en die waarde in feite hoger is dan de productieprijs, gereguleerd door de gemiddelde winst. Want zo niet, dan zou de kapitalistische pachter onmogelijk, met de gegeven prijzen van de landbouwproducten, eerst de gemiddelde winst uit de prijs van deze producten kunnen realiseren en vervolgens uit die prijs nog een surplus bovenop die winst, onder de vorm van rente, betalen. Men kan daardoor concluderen dat de algemene winstvoet, die de kapitalistische pachter in zijn contract met de grondeigenaar vastlegt, gevormd is zonder de rente en daarom, zodra ze regulerend wordt in de landelijke productie, dit overschot aantreft en het aan de grondeigenaar betaalt. Het is op deze traditionele wijze dat bv. Rodbertus de zaak uitlegt. Maar:


Ten eerste. Deze intrede van het kapitaal als een zelfstandige en leidende kracht in de landbouw, vindt niet tegelijk en algemeen plaats, maar geleidelijk en in specifieke productiesectoren. Aanvankelijk grijpt het niet naar de eigenlijke landbouw, maar naar de productietakken zoals veeteelt, vooral de schapenteelt, waarvan het hoofdproduct, wol, met de opkomst van de industrie aanvankelijk voortdurend een marktprijssurplus gaf ten opzichte van de productieprijs, wat zich pas later vereffent. Aldus in Engeland tijdens de 16e eeuw.


Ten tweede. Daar deze kapitalistische productie aanvankelijk slechts sporadisch plaatsvindt, is het aannemelijk dat zij eerst alleen akkers bemachtigt die, vanwege hun specifieke vruchtbaarheid of bijzonder gunstige ligging, over het geheel genomen een differentiaalrente kunnen geven.


Ten derde. Zelfs aannemende dat de prijzen ten tijde van het begin van deze productiewijze, die feitelijk een toenemend gewicht van de stedelijke vraag vooronderstelt, hoger zijn dan de productieprijs, zoals het bv. ongetwijfeld was in het laatste kwartaal van de 17e eeuw in Engeland; dan zal, zodra deze productiewijze zich enigermate los maakt van de ondergeschikte positie van de landbouw aan het kapitaal en zodra de verbetering in de landbouw noodzakelijk de productiekost laat dalen, als reactie een vereffening zijn, een prijsdaling van de landbouwproducten, zoals het geval was in de eerste helft van de 18e eeuw in Engeland.

Op deze traditionele manier kan de rente dus niet verklaard worden als een overschot op de gemiddelde winst. Onder welke historisch aangetroffen omstandigheden ook – eenmaal wortel geschoten kan de rente alleen nog plaatsvinden onder de moderne omstandigheden die eerder zijn ontwikkeld.

Ten slotte, wanneer de productenrente wordt omgezet in een geldrente, moet opgemerkt worden, dat de gekapitaliseerde rente, de grondprijs en dus de verkoop en koop ervan, een essentiële factor wordt, en daarmee niet alleen de voormalige rente betalende boer een onafhankelijke eigenaar kan worden, maar ook stedelijke en andere geldbezitters kunnen grond kopen, om ze, of het nu boeren of kapitalisten zijn, te verpachten en om rente te genieten als een vorm van interest op hun aldus geïnvesteerd kapitaal; dat dus ook deze omstandigheid van het veranderen van de vroegere wijze van exploitatie, de relatie tussen de eigenaar en de werkelijke landbouwer, de rente zelf bevordert.


5. Deelpacht en boereneigendom van percelen


Hier zijn we aan het einde van onze reeks over de ontwikkeling van de grondrente.

In al deze vormen van grondrente: arbeidsrente, productenrente, geldrente (als louter getransformeerde vorm van de productenrente) is de rentebetaler altijd verondersteld als de echte bewerker en eigenaar van de grond, van wie de onbetaalde meerarbeid direct naar de grondeigenaar gaat. Zelfs in de laatste vorm, de geldrente – voor zover ze zuiver is, d.w.z., slechts een andere vorm is van de productenrente – is dit niet alleen mogelijk, maar ook echt het geval.

Als een overgangsvorm van de oorspronkelijke rentevorm naar de kapitalistische rente kan het metameriesysteem of deelpachtsysteem beschouwd worden, waar de landbouwer (pachter), behalve zijn arbeid (de zijne of dat van anderen), een deel van het werkkapitaal en de grondeigenaar, behalve de grond, een ander deel van het werkkapitaal (bv. vee) levert en het product in bepaalde verhoudingen tussen de meier en de grondeigenaar gedeeld wordt. Enerzijds heeft de pachter onvoldoende kapitaal voor een volledige kapitalistische exploitatie, anderzijds is het deel dat de grondeigenaar ontvangt, geen pure vorm van rente. In feite bevat het interest op het door hem voorgeschoten kapitaal en een renteoverschot. In feite kan het de totale meerarbeid van de pachter absorberen, of hem groter of kleiner aandeel van de meerarbeid overlaten. Maar het belangrijkste is dat de rente hier niet langer de normale vorm van meerwaarde is. Enerzijds heeft de meier, of hij nu alleen de eigen of vreemde arbeid gebruikt, recht op een deel van het product, niet in zijn hoedanigheid van arbeider, maar als bezitter van een deel van de werktuigen, als zijn eigen kapitalist. Aan de andere kant claimt de grondeigenaar zijn aandeel niet alleen op basis van zijn grondeigendom, maar ook als geldschieter.[138]

Een overblijfsel van de oude gemeenschappelijke grondeigendom, behouden na de overgang naar een zelfstandige boereneconomie, bv. in Polen en Roemenië, heeft gediend als voorwendsel om de overgang naar lage vormen van grondrente te bewerkstelligen. Een deel van de grond is van de individuele boeren en wordt door hen zelfstandig bewerkt. Een ander wordt gemeenschappelijk bewerkt en geeft een meerproduct, dat gedeeltelijk dient om de gemeenschappelijke kosten te dekken, deels als reserve voor misoogsten, enz. Deze twee laatste delen van het meerproduct, en tenslotte het volledige meerproduct, inclusief de grond waarop het groeide, worden geleidelijk overgenomen door ambtenaren en particulieren en de oorspronkelijke vrije landeigenaren, met het in stand houden van de verplichting tot gemeenschappelijke bewerking van de grond, worden dus veranderd in leenplichtigen, resp. verplicht tot rente in de vorm van producten,terwijl de usurpatoren van de gemeenschappelijke grond zichzelf transformeren in de landeigenaren, niet alleen van de geüsurpeerde gemeenschappelijke grond, maar ook van de boerderijen zelf.

Het is niet nodig stil te staan bij de eigenlijke slaveneconomie (die ook een hiërarchie doorloopt van patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik, tot het werken voor de wereldmarkt, het eigenlijke plantagesysteem) en de boerenerven, waar de grondeigenaar de grond exploiteert voor eigen rekening, het gemeenschappelijk gereedschap voor de productie bezit en de arbeid, of die nu vrij of onvrij is, in natura of met geld, de knechten betaald en uitbuit. Grondeigenaars en eigenaars van de werkinstrumenten, dus ook de directe uitbuiters van de arbeiders die behoren tot deze productie-eenheden, vallen hier samen. Rente en winst vallen eveneens samen, er is geen scheiding tussen de verschillende vormen van meerwaarde. Al de meerarbeid van de arbeider die hier in het meerproduct vertegenwoordigt is, wordt direct van hem gescheiden, door de eigenaar van al de productiewerktuigen, waaronder de grond, en in de oorspronkelijke vorm, de slavernij, de directe producenten. Waar de kapitalistische opvatting domineert, zoals op Amerikaanse plantages, wordt al deze meerwaarde als winst opgevat; waar de kapitalistische productiewijze niet bestaat, noch de wijze van denken, overgedragen vanuit kapitalistische landen, verschijnt het als rente. In elk geval geeft deze vorm geen probleem. Het inkomen van de grondeigenaar, welke naam hij het ook geeft, het door hem toegeëigende beschikbare meerproduct, is hier de normale en heersende vorm, waarin alle onbetaalde overtollige arbeid direct wordt toegeëigend, en de grondeigendom vormt de basis van deze toe-eigening.


Verder, het eigendom van percelen. De boer is hier tegelijk de vrije eigenaar van zijn land, dat als zijn belangrijkste productie-instrument verschijnt, als het onmisbare werkterrein voor zijn arbeid en zijn kapitaal. Er wordt in deze vorm geen pachtgeld betaald; de rente verschijnt dus niet als een afzonderlijke vorm van meerwaarde, hoewel in landen waar de kapitalistische productiewijze anders ontwikkeld is, als surpluswinst verschijnt door de vergelijking met andere productietakken, maar als surpluswinst die de boer ten deel valt, evenals de totale opbrengst van zijn arbeid.

Deze vorm van grondeigendom veronderstelt dat, net als in dezelfde vroegere oudere vormen, de plattelandsbevolking een groot numeriek overwicht heeft op de stedelijke, dat ze dus, ook wanneer kapitalistische productiewijze domineert, ze relatief slecht ontwikkeld is en dus ook in de andere productiesectoren de concentratie van het kapitaal zich binnen enge grenzen beweegt, en de fragmentatie van kapitaal overheerst. Volgens de zaak zelf moet er een groot deel van het landelijke product rechtstreeks door de producenten, de boeren, worden geconsumeerd als een direct bestaansmiddel, en moet alleen het overschot ervan als handelswaar naar de steden gaan. Ongeacht de gemiddelde marktprijs van het landbouwproduct, de differentiaalrente, het overschot op de warenprijs voor de betere of beter gelegen gronden, moet ook hier kennelijk bestaan, net als in de kapitalistische productiewijze. Zelfs als deze vorm voorkomt in maatschappelijke situaties waar nog geen algemene marktprijs is ontwikkeld, bestaat deze differentiaalrente; het verschijnt dan in het overtollige meerproduct. Alleen gaat het in de zak van de boer, waarvan de arbeid wordt gerealiseerd onder gunstige natuurlijke omstandigheden. Vooral in deze vorm, waarbij de grondprijs als element opgaat in de werkelijke productiekosten van de boer, doordat de grond bij een verdere ontwikkeling van deze vorm, of met de verdeling van een erfenis tegen een bepaalde geldwaarde overgenomen wordt, of als er een constante wissel is, zij het van de gehele eigendom of delen ervan, de grond gekocht is van de bewerker zelf, grotendeels door een hypothecaire lening; waar dus de grondprijs, die niets anders is dan de gekapitaliseerde rente, een verondersteld element is en daarom lijkt de rente onafhankelijk te bestaan van enige differentiatie in vruchtbaarheid en ligging van de grond – juist hier is het doorgaans aan te nemen dat er geen absolute rente bestaat, dat de slechtste grond geen rente geeft; want de absolute rente impliceert een gerealiseerd overschot van de waarde van het product boven zijn productieprijs, of een monopolieprijs boven de waarde van het product. Maar aangezien de landbouw hier grotendeels bestaat uit landbouw voor onmiddellijk levensonderhoud en de grond voor de meerderheid van de bevolking essentieel is voor activiteit en kapitaal, zal de regulerende marktprijs van het product zijn waarde alleen onder buitengewone omstandigheden bereiken; maar deze waarde zal in de regel boven de productieprijs staan vanwege het overwicht van het element levende arbeid, hoewel dit overschot aan waarde boven de productieprijs opnieuw zal worden beperkt door de lage samenstelling van niet-agrarisch kapitaal in landen met een overheersende verkavelde economie. Enerzijds lijkt de gemiddelde winst van het kapitaal, voor zover het een kleine kapitalist is, niet een belemmering te zijn voor de uitbuiting van de eigenaar van een perceel, anderzijds ook niet de noodzakelijkheid van een rente, voor zover hij grondeigenaar is. De absolute grens voor hem als kleine kapitalist, is niets anders dan het arbeidsloon dat hij zichzelf betaalt, na aftrek van de werkelijke kosten. Zolang de productprijs dit voor hem dekt, zal hij zijn land bewerken, en vaak tot het fysieke minimum van het arbeidsloon. Wat zijn hoedanigheid als grondeigenaar betreft, valt de eigendomsbeperking weg, wat zich enkel kan doen gelden in contrast tot het van hem gescheiden kapitaal (inclusief arbeid), omdat dit hinderlijk is voor zijn investering. Weliswaar is de interest op de grondprijs, die meestal ook nog aan een derde persoon, aan de hypothecaire schuldeiser, te betalen is, een beperking. Maar deze interest kan worden betaald uit het deel van de meerarbeid dat onder kapitalistische verhoudingen de winst zou vormen. De rente, geanticipeerd in de grondprijs en in de hiervoor betaalde interest kan dus niets anders zijn dan een deel van de gekapitaliseerde meerarbeid van de boer boven de voor zijn levensonderhoud noodzakelijke arbeid, zonder dat deze meerarbeid zich realiseert in een waardedeel van de waar, gelijk aan de gemiddelde winst, en nog minder in een overschot boven de meerarbeid gerealiseerd in de gemiddelde winst, in een surpluswinst. De rente kan een vermindering zijn van de gemiddelde winst of zelfs het enige deel dat wordt gerealiseerd. Opdat de boer met percelen zijn grond bewerkt of grond koopt om te bewerken, is het dus niet nodig, zoals in de normale kapitalistische productiewijze, dat de marktprijs van de landbouwproducten hoog genoeg stijgt om hem een gemiddelde winst op te brengen en nog minder een gefixeerd surplus in rentevorm boven de gemiddelde winst. Het is dus niet nodig dat de marktprijs stijgt, hetzij in waarde, hetzij de productieprijs van het product. Dit is een van de redenen waarom de graanprijs lager is in landen met een overheersend eigendom van percelen, dan in landen met een kapitalistische productiewijze. Een deel van de meerarbeid van de boeren die in de meest ongunstige omstandigheden werken, wordt gratis aan de maatschappij gegeven en komt niet in de regulering van de productieprijzen of in de waardevorming. Deze lagere prijs is dus een gevolg van de armoede van de producenten en zeker niet van de productiviteit van hun arbeid.

Deze vorm van vrije eigendom in percelen met zelfstandig exploiterende boeren als dominante normale vorm, is enerzijds de economische basis van de maatschappij in de beste tijden van de klassieke oudheid, anderzijds zien we het bij de moderne volkeren als een van de vormen die ontstaan door de ontbinding van het feodale grondbezit; de yeomanry in Engeland, de boerenstand in Zweden, de Franse en West-Duitse boeren. We spreken hier niet over de koloniën, omdat de onafhankelijke boer zich daar onder een andere situatie ontwikkelt.

De vrije eigendom van de zelfstandige boeren is blijkbaar de meest normale vorm van grondeigendom voor het kleinbedrijf; d.w.z. voor een productiewijze waarin het bezit van de grond een voorwaarde is voor de eigendom van de arbeiders van het product van zijn eigen arbeid en waarin hij een vrije eigenaar of een onderdaan kan zijn, de boer toch altijd zijn levensonderhoud, onafhankelijk, als een geïsoleerde arbeider met zijn gezin, moet produceren. De grondeigendom is noodzakelijk voor de volledige ontwikkeling van deze bedrijfsvoering, evenals de eigendom van het gereedschap, voor de vrije ontwikkeling van het ambacht. Het vormt hier de basis voor de ontwikkeling van de individuele zelfstandigheid. Voor de ontwikkeling van de landbouw is het een noodzakelijke fase. De oorzaken van zijn ondergang toont zijn beperkingen. Ze zijn: vernietiging van de huisindustrie op het platteland, aan haar complementair, als gevolg van de ontwikkeling van de grootindustrie; geleidelijke verarming en uitputting van de grond die onderhevig is aan deze cultuur; usurpatie door de grootgrondeigendom van het gemeenschappelijke eigendom, dat overal de tweede complementariteit is van de perceelsgewijze economie en enkel veehouderij mogelijk maakt; concurrentie van, of plantages, of van grootschalig bedreven kapitalistische landbouw. Verbeteringen in de landbouw, die enerzijds de prijzen van de landbouwproducten verlagen en anderzijds grotere investeringen en objectief rijkere productievoorwaarden vergen, dragen daar ook aan bij, zoals in de eerste helft van de achttiende eeuw in Engeland.

Perceelsgewijze eigendom sluit, door zijn aard, de ontwikkeling van de maatschappelijke productieve arbeidskrachten, maatschappelijke vormen van arbeid, maatschappelijke concentratie van kapitaal, grootschalige veeteelt, en progressieve toepassing van de wetenschap, uit.

Woeker en het belastingstelsel verarmen het overal. De kapitaaluitgave voor de grondprijs onttrekt dit kapitaal voor de cultuur. Oneindige fragmentatie van de productiemiddelen en isolatie van de producenten zelf. Enorme verspilling van menselijke kracht. Een progressieve verslechtering van de productievoorwaarden en duurdere productiemiddelen, een noodzakelijke wet uit de perceelsgewijze eigendom. De vruchtbare jaren zijn voor deze productiewijze funest.[139]

Een van de specifieke euvels van de kleinschalige landbouw, verbonden aan de vrije grondeigendom, is dat de boer kapitaal moet steken in de aankoop van grond. (Hetzelfde geldt voor de overgangsvorm, waar de grootgrondbezitter eerst een kapitaal regelt om land te kopen en ten tweede om het dan zelf als zijn eigen pachter te bewerken.) Met de aard van de veranderingen, die hier de grond slechts als een waar veronderstelt, nemen de veranderingen van bezit toe,[140] zodat bij elke nieuwe generatie, met elke nalatenschap, de grond, vanuit het standpunt van de boer, opnieuw een kapitaalinvestering is, d.w.z., grond door hem gekocht. De grondprijs is hier een belangrijk element van de individuele maar onjuiste productiekosten of de kostprijs van het product voor de individuele producent.

De grondprijs is niets anders dan de gekapitaliseerde en dus geanticipeerde rente. Wanneer de landbouw kapitalistisch wordt geëxploiteerd, zodat de grondeigenaar alleen de rente ontvangt en de pachter niets betaalt voor de grond behalve de jaarlijkse rente, is het duidelijk dat het door de grondeigenaar zelf geïnvesteerde kapitaal voor de aankoop van grond, voor hem een rentegevende kapitaalinvestering is, maar beslist niets te maken heeft met het in de eigenlijke landbouw geïnvesteerde kapitaal. Het maakt geen deel uit van het hier fungerende vaste of circulerende kapitaal;[141] het geeft de koper slechts het recht op een jaarlijkse rente, maar het heeft absoluut niets te maken met de productie van die rente. De koper van de grond betaalt het kapitaal meteen aan degene die de grond verkoopt, en de verkoper doet afstand van zijn eigendomsrecht. Dit kapitaal bestaat niet meer als het kapitaal van de koper; hij heeft het niet meer; het behoort dus niet meer tot het kapitaal dat hij op enigerlei wijze in de grond kan investeren. Of hij het land duur of goedkoop kocht, of voor niets kreeg, verandert niets aan het door de pachter voor bewerking geïnvesteerde kapitaal en het verandert niets aan de rente, het verandert alleen of er wel of geen rente is, respectievelijk, een hoge of een lage rente.

Neem bv. de slavernij. De prijs die voor de slaaf wordt betaald, is niets anders dan de geanticipeerde en gekapitaliseerde meerwaarde of winst die daaruit moet worden gehaald. Maar het kapitaal betaald bij de aankoop van de slaaf behoort niet tot het kapitaal, waardoor winst, meerarbeid, wordt onttrokken aan de slaaf. Het is andersom. Het is het kapitaal dat de slaveneigenaar heeft afgestoten. Het terugtrekken van kapitaal waarover hij in de werkelijke productie beschikt. Het hield op te bestaan voor hem, net zoals het kapitaal geïnvesteerd in de aankoop van grond ophield te bestaan voor de landbouw. Het beste bewijs is, dat het voor de slaveneigenaar of de eigenaar van de grond pas terug in existentie komt zodra hij de slaaf of de grond opnieuw verkoopt. Dan is er weer dezelfde verhouding voor de koper. Het feit dat hij de slaaf heeft gekocht, stelt hem niet in staat om de slaaf zonder meer te exploiteren. Hij kan dit maar door ander kapitaal in de slavernij te investeren.

Hetzelfde kapitaal bestaat niet twee keer, eenmaal in de handen van de verkoper, de andere keer in handen van de koper van de grond. Het gaat van de koper naar de verkoper en dat is het. De koper heeft nu geen kapitaal, maar in plaats daarvan een stuk grond. Het feit dat de rente verkregen uit de werkelijke kapitaalinvestering in dit stuk grond nu door de nieuwe grondeigenaar wordt berekend als interest op het kapitaal, dat hij niet in de grond investeerde maar het uitgaf voor de aankoop van grond, verandert niets aan de economische aard van de factor grond, net zo min als het feit dat als iemand £1.000 heeft betaald voor consols van drie procent, dit te maken heeft met het kapitaal, waarvan het inkomen het mogelijk maakt de interest op de overheidsschuld te betalen.

In feite is het geld dat wordt besteed aan de aankoop van grond, net als het geld dat wordt besteed aan de aankoop van staatspapier, op zich kapitaal, aangezien elke waardesom op basis van de kapitalistische productiewijze op zich kapitaal, potentieel kapitaal is. Wat voor de grond betaald is, zoals voor een staatsfonds, zoals voor andere gekochte waren, is een geldsom. Dit is kapitaal op zich, omdat het in kapitaal kan veranderen. Het hangt af van het gebruik dat de verkoper ervan maakt, of het ontvangen geld wel of niet echt in kapitaal verandert. Voor de koper kan het niet meer als zodanig fungeren, zomin als welk ander geld ook, dat hij definitief heeft uitgegeven. In zijn rekeningen staat het als rentegevend kapitaal, omdat hij het inkomen, ontvangen als grondrente of als interest op de staatsschuld, berekent als interest op het geld dat het hem koste voor de aankoop van titels op dit revenu. Als kapitaal kan hij het alleen realiseren door wederverkoop. Maar dan komt een andere, de nieuwe koper, in dezelfde verhouding van de vorige, en geen enkele overhandiging kan het aldus uitgegeven geld veranderen in echt kapitaal voor de verkoper.

Met de kleine grondeigendom is er veel meer de illusie dat de grond zelf een waarde heeft en als kapitaal in de productieprijs van het product overgaat, net als een machine of een grondstof. We hebben echter gezien dat slechts in twee gevallen de rente, en dus de gekapitaliseerde rente, de grondprijs, bepalend is voor de prijs van het landbouwproduct. Ten eerste, als de waarde van de landbouwproducten, als gevolg van de samenstelling van het landbouwkapitaal – een kapitaal dat niets gemeen heeft met het kapitaal voor de aankoop van grond – hoger is dan de productieprijs en de marktomstandigheden de grootgrondbezitter in staat stelt dit verschil te benutten. Ten tweede, wanneer er sprake is van een monopolieprijs. En beiden zijn minimaal het geval bij de perceelsgewijze economie en de kleine grondeigendom, omdat juist hier de productie voor het grootste deel de eigen vraag bevredigt en onafhankelijk is van de regulering door de algemene winstvoet. Zelfs daar waar er aan perceelsgewijze economie wordt gedaan op een verpachte grond, omvat het pachtgeld veel meer dan onder andere omstandigheden, een deel van de winst en zelfs een vermindering van het arbeidsloon; het is dan alleen een nominale rente, geen rente als een zelfstandige categorie tegenover het arbeidsloon en winst.

Het uitgeven van geldkapitaal voor de aankoop van grond is daarom geen investering van agrarisch kapitaal. Het is pro tanto een vermindering van het kapitaal dat de kleine boeren tot hun beschikking hebben in hun productiesector. Het vermindert pro tanto de omvang van zijn productiemiddelen en verkleint daarom de economische basis van de reproductie. Het onderwerpt de keuterboer aan woeker, daar er in deze sector duidelijk minder echt krediet is. Het is een obstakel voor de landbouw, zelfs wanneer deze aankoop plaatsvindt door grote landbouwbedrijven. Het is in feite in tegenspraak met de kapitalistische productiewijze, die over het geheel genomen onverschillig is voor de schuldenlast van de grondeigenaars, of die nu zijn eigendom heeft geërfd of gekocht. Of hij de rente zelf betaalt of moet terugbetalen aan een hypothecaire schuldeiser, op zich verandert dat niets aan de exploitatie van het verpachte landgoed.


We hebben gezien dat bij een gegeven grondrente, de grondprijs wordt gereguleerd door de interestvoet. Als die laag is, is de grondprijs hoog en omgekeerd. Normaal gesproken moet een hoge grondprijs en een lage rentevoet dus samengaan, zodat, als de boer de grond duur betaalt als gevolg van de lage rente, dezelfde lage rente hem onder gunstige voorwaarden bedrijfskapitaal moet verschaffen. In werkelijkheid ligt het anders, in een verhouding waar de perceelsgewijze eigendom overheerst. Allereerst zijn de wetmatigheden van het krediet niet toepasselijk bij de boeren, omdat het producenten veronderstelt als kapitalisten. Ten tweede, waar de perceelsgewijze eigendom de overhand heeft – kolonies komen hier niet ter sprake – en de kleine boer de basis van de natie is, is de kapitaalvorming, d.w.z. de maatschappelijke reproductie, relatief zwak en nog zwakker is de vorming van geldkapitaal om te lenen in de eerder ontwikkelde zin. Dit veronderstelt concentratie en het bestaan van een klasse van rijke nietsdoende kapitalisten (Massie). Ten derde, waar de grondeigendom voor de meeste producenten een levensvoorwaarde is en een onmisbaar investeringsveld voor hun kapitaal, wordt de grondprijs verhoogd, los van de rentevoet, en vaak in een omgekeerde verhouding, doordat er meer vraag naar grondeigendom is, dan aanbod. Verkocht in percelen, is de grondprijs veel hoger dan de verkoop in grotere stukken, omdat hier het aantal kleine kopers groot is en dat van grote kopers klein (Bandes Noires, Rubichon, Newman). Om al deze redenen stijgt de grondprijs hier bij een relatief hoge rentevoet. De relatief lage rente die de boer hier haalt uit het kapitaal dat geïnvesteerd is in de aankoop van grond (Mounier) beantwoordt aan de hoge woekerrente die hij zelf moet betalen aan zijn hypothecaire schuldeisers. Het Ierse systeem toont hetzelfde, maar in een andere vorm.

Dit element, dat vreemd is aan de productie, de grondprijs, kan dus stijgen tot een niveau waar het de productie onmogelijk maakt. (Dombasle.)

Dat de grondprijs zo’n rol speelt dat de aankoop en verkoop van land, de circulatie van grond als waar, zich in deze mate ontwikkelt, is praktisch het gevolg van de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze, voor zover de waar hier de algemene vorm wordt van alle producten en alle productiemiddelen. Aan de andere kant vindt deze ontwikkeling alleen plaats waar de kapitalistische productiewijze zich slechts in beperkte mate ontwikkelt en niet alle kenmerken ervan ontplooit; omdat het precies berust op het feit dat de landbouw niet langer, of nog niet, onderworpen is aan de kapitalistische productiewijze, maar afkomstig is van een productiewijze met maatschappelijke vormen in verval. De nadelen van de kapitalistische productiewijze, met de afhankelijkheid van de producent voor de prijs van zijn product, valt hier dus samen met de nadelen die voortvloeien uit de onvolmaakte ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze. De boer wordt handelaar en industrieel zonder de voorwaarden waaronder hij zijn product als een waar kan produceren.

Het conflict tussen de grondprijs als een element van de kostprijs voor de producent en niet een element van de productieprijs van het product (zelfs als de rente bepalend is voor de prijs van het landbouwproduct, is de gekapitaliseerde rente, die voor 20 jaar of langer jaar voorgeschoten wordt, allesbehalve bepalend) is slechts een van de vormen waarin de tegenstrijdigheid van het privé-eigendom op de grond t.o.v. een rationele landbouw, met een normaal maatschappelijk gebruik van de grond, zich stelt. Maar aan de andere kant is het privé-eigendom van de grond, en daarom is er de grondonteigening van de directe producenten – privé-eigendom van de grond van de ene, impliceert de niet-eigendom van anderen van de grond – de basis van de kapitalistische productiewijze.

Hier, bij de kleine cultivatie, is de grondprijs, vorm en resultaat van de private grondeigendom, een beperking voor de productie. In het geval van grootschalige landbouw en kapitalisme op basis van grootgrondbezit lijkt eigendom ook een barrière, omdat het de pachter beperkt in productieve investeringen, wat in laatste instantie hem niet ten goede komt, maar wel de grondeigenaar. In beide vormen komt in de plaats van de zelfbewuste rationele behandeling van de grond als een gemeenschappelijke eeuwige eigendom, de onvervreemdbare voorwaarden voor het bestaan en reproductie van de opeenvolgende generaties van de menselijke soort, de uitbuiting en verspilling van de grond (afgezien van een exploitatie die afhankelijk is van toevallige en ongelijke omstandigheden, niet op het niveau van een bereikte maatschappelijke ontwikkeling, maar van de toevallige, ongelijke omstandigheden van individuele producenten). In het geval van de kleine eigendom is dit te wijten aan een gebrek aan middelen en kennis voor het toepassen van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit. En bij de grootte eigendom door exploitatie van deze middelen voor een zo snel mogelijke verrijking van pachter en eigenaar. In beide gevallen, door de afhankelijkheid van de marktprijs.


Alle kritiek op de kleine grondeigendom lost zich in laatste instantie op in de kritiek op privé-eigendom, als een barrière en obstakel voor de landbouw. Ook de kritiek ten aanzien van het grootgrondbezit. In beide gevallen wordt natuurlijk van politieke bijkomstigheden afgezien. Deze barrières en obstakels voor de rationele behandeling, het behoud en de verbetering van de grond, worden aan beide zijden ontwikkeld in verschillende vormen, en in de discussie over deze specifieke vormen van de kwaal, wordt de uiteindelijke oorzaak vergeten.

De kleine grondeigendom veronderstelt dat het plattelandsleven de regel is voor de overgrote meerderheid van de bevolking en dat de geïsoleerde arbeid overheerst op de maatschappelijke arbeid; dat daarom de rijkdom en ontplooiing van de reproductie, zowel de materiële als de verstandelijke voorwaarden, uitgesloten zijn in dergelijke omstandigheden, en vandaar de voorwaarden voor een rationele cultivatie. Aan de andere kant vermindert het grootgrondbezit de agrarische bevolking tot een blijvend afnemend minimum en biedt het een gestaag groeiende industriële bevolking, samengepakt in grote steden; het creëert daardoor omstandigheden die een onherstelbare breuk veroorzaakt in de samenhang van het maatschappelijk metabolisme, voorgeschreven door de natuurwetten van het leven, met als gevolg de verspilling van het bodemleven en deze verkwisting wordt door de handel tot ver buiten de grenzen van het eigen land gebracht (Liebig).

Wanneer de kleine grondeigendom een klasse barbaren creëert die gedeeltelijk buiten de maatschappij staan, die alle ongeciviliseerdheid van de primitieve maatschappijvormen verbindt met alle kwalen en alle misère van de geciviliseerde landen, dan ondermijnt het grootgrondbezit de arbeidskracht in het laatste toevluchtsoord, het platteland, waarheen de natuurlijke energie vlucht en waar het zich verzamelt als reservefonds voor de vernieuwing van de levenskracht van de naties. Grootindustrie en industriële grootschalige landbouw werken gemeenschappelijk. Wanneer ze oorspronkelijk zijn gescheiden, daar de eerste meer de arbeidskracht en dus de natuurlijke kracht van de mens, de laatste meer direct de natuurlijke kracht van de grond verwoest en ruïneert, dan reiken zij later elkaar de hand in het vorderen, doordat het industriële systeem op het platteland ook de arbeider uitput en industrie en handel van hun kant de landbouw het middel verschaft tot uitputting van de grond.

_______________
[135] A. Smith wijst erop dat in zijn tijd (het is tegenwoordig hetzelfde in de plantages van tropische en subtropische landen) de rente en de winst nog niet gescheiden zijn, omdat de grondeigenaar tegelijk de kapitalist is, zoals bv. Cato op zijn landgoed. Deze scheiding is echter precies de voorwaarde voor de kapitalistische productiewijze, die, bovendien, met de slavernij onverenigbaar is.
[136] De heer Mommsen in zijn Romeinse geschiedenis neemt het woord kapitalist niet op in de zin van de moderne economie en de moderne maatschappij, maar op de wijze van het populaire idee, dat niet leeft in Engeland of Amerika, maar op het continent, als een oude traditie van voorbije toestanden.
[137] Na een verovering van een land was altijd het volgende doel van de veroveraar, de toe-eigening van de mensen. Zie Linguet. Zie ook Möser.
[138] Vgl. Buret, Tocqueville, Sismondi.
[139] Zie de troonrede van de koning van Frankrijk bij Tooke.
[140] Zie Mounier en Rubichon.
[141] In zijn brochure Extensief of intensief? (de tekst zegt niets anders over deze brochure. F.E), gaat de heer dr. H. Maron uit van een foute veronderstelling, die hij bestrijdt. Hij gaat ervan uit dat het kapitaal dat wordt geïnvesteerd in de aankoop van grond “investeringskapitaal” is, en nu disputeert over de resp. definities van investeringskapitaal en bedrijfskapitaal, d.w.z. vast en circulerend kapitaal. Zijn kinderlijke voorstellingen van kapitaal, die zijn overigens te verontschuldigen bij een niet-econoom wegens de lamentabele staat van de Duitse “economische wetenschap”, verbergen hem dat dit kapitaal investerings- noch bedrijfskapitaal is; net zomin als het kapitaal dat iemand investeert op de beurs met het kopen van aandelen of staatsobligaties en dat voor hem een persoonlijke kapitaalinvestering vertegenwoordigt, in één of andere productietak wordt “geïnvesteerd”.