Robert Lochhead

De Revolutie van de Lage Landen 1566 – 1648


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, 1994, zomer, (nr. 50), jg. 38
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA

       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Calvinisme en individualisme
De proletarische opstand van 1830 in Belgiƫ
De klassenstrijd in Vlaanderen van 1336-1348 en van 1379-1385
De opkomende “Vierde stand” in de burgerlijke omwenteling van de Zuidelijke Nederlanden (1565-1585, 1789-1794, 1830)

De grote burgerlijke revoluties blijven een zeer interessant gebied van onderzoek voor revolutionairen. Ze hebben ook een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van het marxisme.
In deze tijd van neoliberalisme en postmodernisme kan het geen kwaad de humanistische en democratische tradities van de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw te onderzoeken en te verdedigen. In dit extra katern van De Internationale (ter gelegenheid van nummer 50) publiceren wij een tekst van Robert Lochhead over de Revolutie van de Lage Landen, bij ons beter bekend als de Tachtigjarige Oorlog. Deze tekst komt uit het Notebook 11/12, met als titel The Bourgeois Revolutions, dat is uitgegeven door het International Institute for Research and Education in Amsterdam. In dit Notebook gaat Lochhead ook uitgebreid in op de Engelse Revolutie van 1640 – 1660 en bespreekt hij algemene kwesties van de burgerlijke revoluties.


1. De Lage Landen in de zestiende eeuw


In de zestiende eeuw bestonden de Nederlanden, ook genoemd de Lage Landen, uit zeventien provincies die vanuit Brussel geregeerd werden. Het ging daarbij om een gebied dat tegenwoordig hoort tot België, Nederland, Luxemburg, het Franse departement Nord en een deel van het departement Pas-de-Calais. De soevereine vorst van de Lage Landen was sinds 1556 Filips II van Spanje (1527 – 1598). Deze was de belangrijkste figuur van de oudere tak van de Habsburgse dynastie, hij was heerser over een uitgestrekt wereldrijk en stond aan het hoofd van de machtigste absolutistische staat van Europa. Filips’ vader, keizer Karel V (1500 – 1558), had de Lage Landen geërfd van de hertogen van Bourgondië. Dezen hadden op hun beurt de meeste Bourgondische provincies tussen 1384 en 1473 verworven door middel van geschikte huwelijken, aankopen en veroveringen en hadden hun gebieden voorzien van een reeks gezamenlijke centrale instituties. Karel V had tussen 1523 en 1543 de vijf provincies ten noorden en oosten van de Zuiderzee veroverd en bij zijn gebied gevoegd. Behalve de Lage Landen werd ook de Bourgondische Franche-Comté vanuit Brussel bestuurd. Zo kwam het dat, ofschoon het hertogdom Bourgondië officieel in 1477 weer onder de koning van Frankrijk was komen te vallen, de term ‘Bourgondië’ in de zestiende eeuw vrijwel gelijk stond aan ‘de Lage Landen’ en dat de inwoners van deze gebieden hun soeverein betitelden als hertog van Bourgondië. Formeel maakten de Lage Landen deel uit van het Heilige Roomse Rijk. Keizer Maximiliaan II, het hoofd van de jongere Habsburgse tak, was daarom in theorie de opperleenheer van zijn neef Filips II voor de Lage Landen.

Hoewel ze bekend stonden als de Spaanse Nederlanden, merkten de zeventien provinciën niet al te veel van het Spaanse oppergezag. De Habsburgs waren al de vorsten van de Lage Landen voordat ze de troon van Spanje beërfden. Karel V groeide op in de Lage Landen voordat hij als volwassene de Spaanse troon besteeg. Hovelingen met een Bourgondische achtergrond zaten op alle niveaus in het Madrileense bestuur en bekleedden daarin meermalen hoge posities. De luister van het Spaanse absolutisme was verrijkt met de oudere en verfijndere luister van het hof van Bourgondië.


Het toonaangevende stedelijke gebied van Europa


In de zestiende eeuw vormden de Lage Landen het rijkste, het dichtst bevolkte en meest verstedelijkte gebied van Europa. Het gebied telde tweehonderd steden, waarvan negentien met meer dan tienduizend inwoners – Engeland had er daar maar vier van. In totaal woonden er iets meer dan twee miljoen mensen. In de meest ontwikkelde provincies – Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland – woonde de helft van de bevolking in steden, een uitzonderlijk hoog gedeelte, dat elders in Europa pas in de negentiende eeuw werd bereikt. Antwerpen, met tachtigduizend inwoners de grootste stad, was de handels- en bankmetropool van Noord-Europa. De Nederlanders bezaten de grootste koopvaardijvloot van Europa. Hun handelaren beheersten de handel buiten de Middellandse Zee, van de Oostzee tot aan Lissabon. Driekwart van de schepen die de Deense zee-engten passeerden, kwamen uit de Lage Landen. Ze importeerden wol uit Castilië en Engeland, hout uit Scandinavië, graan uit Polen en waren de belangrijkste Europese exporteurs van laken en schepen. De zoute haring die hun vissers produceerden, voerden ze naar heel Europa uit.

Naast Italië waren de Lage Landen het enige gebied in Europa met een echte arbeidersklasse in de nijverheid, een klasse die in de grootste steden duizenden mensen telde. Maar ze hadden ook meer werklozen en armen in hun steden dan waar ook. De lakenindustrie was voornamelijk in Vlaanderen en Holland gevestigd. In de steden werd deze bedrijfstak strak gereguleerd door gilden en door verordeningen die kapitaalaccumulatie tegengingen en het kleine familiebedrijf van de ambachtsmeester en diens knechten moesten beschermen. Maar de lakennijverheid had zich op grote schaal verbreid naar de dorpen van Vlaanderen, waar geen beroepscorporaties bestonden en waar de gemeentelijke verordeningen minder restrictief waren. Hier hadden grote handelaren-annex-manufacturiers flinke aantallen thuiswerkende ambachtslieden in dienst. Dit systeem, met als meest welvarende centrum Hondschoote, stond bekend als landsdraperie of nieuwe draperie.

In de steden kon een groot deel van de bevolking lezen en schrijven. Plantin, Europa ’s grootste uitgever en drukker, was gevestigd in Antwerpen.

De Lage Landen konden zich ook beroemen op de meest moderne landbouw van Europa, die marktgericht opereerde en op stedelijke belangen was afgestemd. Er werden al bloemen op commerciële basis gekweekt en verder exporteerden de Lage Landen vlees en kaas.

De adel was bijzonder klein van omvang: maar één procent van de bevolking, tegenover acht procent in Spanje en vijf procent in Duitsland en Frankrijk. Een stuk of tien grote feodale heren bezaten bijna hele provincies; daarentegen waren honderden verarmde adellijken in het stadsleven geïntegreerd en waren koopman of jurist geworden.

De steden in de Lage Landen hadden een lange, tot de veertiende eeuw teruggaande, traditie van opstanden tegen hun feodale heren ter verdediging van hun stedelijke vrijheden. De laatste opstand van die soort, de opstand van Gent in 1539-40, werd geleid door een comité van werkloze ambachtslieden en werd bloedig neergeslagen door Karel V. Alle vrijheden die de stad zich sinds de middeleeuwen had verworven, werden bij die gelegenheid afgeschaft.


Het protestantisme komt op


Al in de jaren 1520-30 had het protestantisme in de steden van de Lage Landen voet aan de grond gekregen, het lutheranisme onder een minderheid van de meest welgestelde kosmopolitische burgers en de eenvoudige en egalitaire wederdoperij onder arbeiders en kleine handwerkslieden. Omdat de repressie fel en meedogenloos was, waren de wederdopers tot een ondergronds bestaan gedwongen.

In de jaren 1550-60 verbreidde zich een star, elitair en theoretisch calvinisme onder het welgestelde en ontwikkelde deel van de kleinburgerij en onder vele intellectuelen van de lagere adel. In de jaren vijftig en zestig werden duizenden calvinisten door vervolging in ballingschap gedreven en ontstonden er Nederlands-calvinistische gemeenschappen in Duitsland en Engeland. Toch konden calvinisten nog wel een veilige plek vinden in de grootste steden en op de landerijen van een paar dissidente adellijken. Sommige Franse calvinisten weken zelfs uit naar de Lage Landen.


Een weinig ontwikkeld absolutisme


De politieke structuur van de Nederlanden was enorm gedecentraliseerd en de vertegenwoordigende lichamen, de Provinciale Staten en de Staten-Generaal bezaten vrij veel macht. De soeverein benoemde aan het hoofd van iedere provincie een gouverneur, stadhouder geheten. Elke provincie had haar eigen bestuurlijke en juridische instituties, procedurele regelingen, heffingen en belastingen en haar eigen Provinciale Staten waarmee de soeverein of de stadhouder over belastingen, wetten en benoeming van magistraten diende te overleggen. De Provinciale Staten zonden afvaardigingen met een nauw omschreven en bindend mandaat naar de bijeenkomsten van de Staten-Generaal in Brussel. De zittingen van de Staten-Generaal werden dan ook enorm opgehouden door eindeloos heen en weer gereis om met de achterban te overleggen. Net als een handjevol andere Europese koninkrijken (Catalonië en tot op zekere hoogte Engeland) bezaten de Nederlanden het privilege om de Staten-Generaal regelmatig bijeen te laten komen en deze te laten bijstaan door permanente comités die aan de uitvoerende macht verbonden waren. Zo stemden de Staten-Generaal in 1557 slechts in met een negenjarige belasting van 800.000 gulden per jaar op voorwaarde dat zowel de inning als de bestemming van de belastinggelden in handen zou zijn van een comité van de Staten.

De regering in Brussel had maar weinig permanente troepen tot haar beschikking en het mobiliseren van stedelijke en feodale weerkorpsen was geen eenvoudige zaak. Om die reden zou de aanwezigheid van Spaanse troepen zo belangrijk blijken.

Het absolutisme van de Lage Landen was nog niet volledig uitgebouwd. Er was een wereld van verschil tussen het absolutisme hier te lande en dat in Spanje, dat het meest moderne van Europa was. Het Spaanse absolutisme berustte op de ondergeschikte positie van de steden en de Staten-Generaal van Castilië, op de geslaagde integratie van de adel in een reusachtige bureaucratische en militaire machinerie die zich van Palermo tot Lima uitstrekte, en bovendien op de enorme geldstroom vanuit de zilvermijnen van Potosí. De middeleeuwse contractstaat van Bourgondië en het Spaanse absolutisme gingen op den duur niet met elkaar samen: aan de ene kant stak Madrid zijn rijkdommen in avonturen over de hele aardbol terwijl in Castilië de economie achteruit ging, aan de andere kant was het niet in staat aan het rijkste gebied van Europa voldoende middelen te onttrekken om alle uitgaven van het Brusselse gouvernement te bekostigen.


Een niet-feodaal randgebied


De Lage Landen bestonden uit een aantal uiterst gevarieerde regionale maatschappijformaties, waarvan er drie in het Europa van die tijd heel uitzonderlijk waren:
• de stedelijke beschaving van de grote steden van Vlaanderen, zoals Antwerpen, Gent, Brugge, Ieper en, in Waals-Vlaanderen, Lille/Rijssel; [Waals-Vlaanderen (la Flandre wallonne) is het zuidelijk deel van de provincie Vlaanderen in het Koninkrijk Frankrijk voor 1789. Het is dus een synoniem voor Rijsels-Vlaanderen. Het noordelijk deel werd Zee-Vlaanderen (La Flandre maritime) genoemd. (Bron Wikipedia) – MIA]
• Holland en Zeeland, deels bestaand uit recent bevolkt land dat tussen de elfde en veertiende eeuw was veroverd op het water; het was vroeger moerasgebied en nat laagveen. De graven hadden er systematisch vestiging bevorderd door grote stukken land te verkopen aan een ieder die zich bereid verklaarde het land droog te leggen. Later werd op dit land landbouw of veeteelt bedreven en werd er turf gegraven, destijds de belangrijkste brandstof in de Nederlanden. Het was dus een gebied van boeren die van oudsher hun eigen land bezaten en die beschikten over gekozen instituties voor het beheer van dijken en waterwegen. Een groot deel van dit land was in handen gekomen van kapitalistische ondernemers uit de vele kleine steden van Holland. In Holland was de adel zo goed als afwezig; hij bestond maar uit twaalf families die minder dan tien procent van het land bezaten. In de Staten van Holland werd de adel alleen door de prins van Oranje vertegenwoordigd;
• Het eveneens agrarische Friesland kende, nadat laat in de elfde eeuw het tribalisme was afgeschaft, een lange traditie van eigenzinnig optreden en trotsering van het gezag. De Friese stammen, die eeuwenlang niet te onderwerpen waren geweest, waren uiteindelijk boeren met eigen landbezit geworden; de rijksten onder hen werden min of meer als adel beschouwd, ook al bewerkten ze het land zelf.


De noordelijke Lage Landen bij de Zuiderzee, het gebied van Zeeland, Holland en Friesland, had dus eenvoudig nooit iets met feodalisme te maken gehad. Daarentegen was op het platteland van Vlaanderen en Brabant de adel machtig, ondanks de welvarende en moderne landbouw aldaar. Nog sterker was de adel in de meer klassiek feodale – en dus, vergeleken met de rest van West-Europa, normalere – provincies Artois en Henegouwen in het zuiden en Gelderland in het oosten. Aan de noordoostelijke rand van de Lage Landen waren de weinig verstedelijkte en even arme als feodale provincies Overijssel en Drenthe te vinden, en in het zuidoosten te midden van dichte bossen het zeer weinig ontwikkelde Luxemburg.


2. Van het verzet tegen het absolutisme naar de opstand van 1566-67


Gedurende de jaren 1560-70 zorgden de pogingen van de regering om het absolutisme te versterken in toenemende mate voor onvrede onder de heersende klassen, de adel en de stadspatriciërs, die in de traditionele provinciale en centrale instituties de dienst hadden uitgemaakt en die zich door de opkomst van absolutistische bureaucraten opzij geschoven voelden. Bovendien hadden de aanhoudende arrestaties en berechtingen wegens ketterij in de jaren 1550-60 een steeds scherper wordend klimaat van spanning veroorzaakt. De vervolgingen riepen steeds meer weerstand op, zelfs onder dat deel van de bevolking dat tijdens het grootste deel van het revolutionaire proces katholiek bleef.

Al in 1562 braken er naar aanleiding van openbare terechtstellingen van protestanten rellen uit in sommige steden. Daarbij werden gevangenen door de menigte bevrijd. Vanaf 1564 waren er voor de vervolging van protestanten geen verklikkers en getuigen meer te vinden.

Gemeentelijke autoriteiten waren doorgaans fel tegen de onderdrukking van protestanten en daarom sloeg de Inquisitie vooral toe op het platteland. De steden hadden tijdens de middeleeuwen over het merendeel van de strafvervolgingen jurisdictie gekregen. Maar nu werd het aantal gewone strafvervolgingen veruit overtroffen door het aantal vervolgingen wegens ketterij, die onder gezag van de Inquisitie en van koninklijke rechtbanken waren gebleven. Daardoor verloren de gemeentelijke rechtbanken veel van hun belang en moesten de steden het stellen zonder de van veroordeelden geconfisqueerde bezittingen.

Omgekeerd kreeg door de onderdrukking van protestanten het koninklijke gouvernement voor het eerst de kans het hele land zijn centrale gezag op te leggen.

Tegen deze absolutistische machtsinbreuken verdedigde de burgerij de bevoegdheden van de gemeenteraden en Provinciale Staten. Hoewel bij de revolutie calvinisten voorop liepen, hebben de leiders van de bevrijdingsstrijd steeds ontkend voor de ene godsdienst en tegen de andere te vechten. Ze zeiden nadrukkelijk enkel voor het behoud van de rechten en vrijheden van steden en provincies te strijden.

In dit klimaat besloot de adel van de Lage Landen, vermoedelijk beseffend op een op uitbarsten staande vulkaan te zitten, zich tot de koning te wenden om hem concessies te vragen die de gemoederen tot bedaren zouden brengen.

In Brussel zetelde de Raad van State met aan het hoofd Margaretha van Parma, Filips’ halfzuster, die optrad als regentes oftewel landvoogdes. De hogere adel was er vertegenwoordigd door de prins van Oranje en de graven van Egmont en van Horne. Dit waren de drie grootste feodale heren van de Lage Landen; hun gezamenlijke gebied besloeg meerdere provincies. Door met aftreden te dreigen kregen ze in december 1564 van de koning het ontslag gedaan van de sterke man van de Raad van State, kardinaal Granvelle. Vervolgens stuurden ze Egmont naar Madrid met een officieel verzoek om de protestantenvervolging te matigen en de Raad grotere bevoegdheden toe te kennen.

De winter van 1564-65 was vreselijk streng. Aan de kust werden zelfs langsdrijvende ijsbergen gezien. De oogst van 1565 was niet best. Door de oorlog tussen Denemarken en Zweden was de Oostzee afgesloten, wat in de Lage Landen veel werkloosheid veroorzaakte. Terwijl het land in een economische crisis zat, kwam najaar 1565 het negatieve en uiterst starre antwoord van de koning op het verzoekschrift binnen.

In december 1565 ondertekenden vierhonderd leden van de lagere adel een petitie, het roemruchte Smeekschrift der Edelen, waarin gevraagd werd om afschaffing van de Inquisitie en om matiging van de protestantenvervolging. Oranje, Egmont en Horne ondertekenden de petitie niet, maar kregen wel gedaan dat de toon ervan iets werd gematigd. 24 januari 1566 trad Oranje terug uit al zijn functies. Op 5 april marcheerden driehonderd gewapende adellijken door Brussel om hun petitie aan de landvoogdes te gaan aanbieden. Aldaar aangekomen betitelde een van de hovelingen hen als ‘gueux’, Frans voor schooiers – niet bepaald een gelukkige vondst, want prompt eigenden de balsturige edellieden zich de term ‘geuzen’ toe en trokken uitgedost als bedelaars door de straten. Zo kwamen ze tegen wil en dank aan het hoofd te staan van een mobilisering van de bevolking die zich door hun voorbeeld liet inspireren.

De landvoogdes gaf toe op alle punten. Ze maakte een eind aan de vervolging van protestanten. De regering was verlamd. Ballingen keerden in groten getale terug naar de Nederlanden. In het voorjaar en de zomer van 1566 heerste er een sfeer van vrijheid en balorigheid. Tienduizenden stedelingen kwamen buiten de stadswallen in grote groepen bijeen om naar predikers te luisteren. Veel van deze plebejers hadden zich openlijk bewapend zonder dat de regering daar iets aan kon doen.

Maar de koning wenste niet te voldoen aan de steeds luider klinkende eis de Staten-Generaal bijeen te roepen.

In augustus en september kwam het tot een uitbarsting: groepjes radicale calvinisten, plebejers, ambachtslieden, gildemeesters, dagloners en schoolmeesters drongen in de meeste steden kerken binnen en sloegen daar ornamenten en heiligenbeelden aan stukken, een en ander onder gejuich van de menigte. Uit deze Beeldenstorm bleek de plebejische haat tegen de weelderigheid van de kerk en de protestantse afkeer van alles wat naar afgoderij zweemde. De beweging legde een hoge mate van zelfdiscipline aan de dag; er werd bijvoorbeeld niet geplunderd. De stedelijke schutterij, bestaand uit burgers die rijk genoeg waren om hun uitrusting te kunnen betalen, liet de zaak op zijn beloop. Vooral in de gebieden van de Vlaamse landsdraperieën was het oproer hevig.

Nu ze door de volksbeweging voorbijgestoken waren, ging een meerderheid van de adel en de stedelijke patriciërs een overeenkomst aan met de landvoogdes om de menigte eronder te krijgen. Ze gingen over tot politionele operaties en belegerden verscheidene steden, waarmee de beweging volledig werd neergeslagen. Egmont, Horne en Oranje deden mee aan deze repressie, onderwijl pogend greep op de beweging te krijgen en met alle partijen onmogelijke compromissen te sluiten. Maar ze zagen zich hierbij gepasseerd door vertegenwoordigers van de landvoogdes, die de repressie krachtdadiger aanpakten. En in het voorjaar van 1567 vluchtten ze uiteindelijk naar het buitenland. Daar voegden ze zich bij de duizenden die ze mede hadden helpen onderwerpen.

Ondertussen stonden in de Madrileense Staatsraad de verzoeningsgezinden, geleid door de vorst van Eboli, gedurende maanden tegenover een groep onverzoenlijken onder leiding van de hertog van Alva. In september 1566 besloot de koning tot de harde lijn. Alva kreeg een leger van tienduizend manschappen tot zijn beschikking om naar de Lage Landen op te trekken. De opmars van dit leger vanuit Italië via de pas van de Mont Cenis, langs de stadsmuren van Genève, joeg de protestanten in heel Europa de stuipen op het lijf. 22 augustus 1567 marcheerde het leger Brussel binnen. Egmont en Horne keerden onmiddellijk terug om zich te onderwerpen. Tot hun grote verrassing werden ze gearresteerd en op 5 juni 1568 werden ze op Brussels grootste plein onthoofd. Uit protest tegen de executies trad de landvoogdes af en reisde voorgoed af naar Parma. Haar opvolger werd Alva. Die stelde speciale rechtbanken in die de onderdrukking systematisch ter hand namen. Het kwam tot twaalfduizend rechtszaken met negenduizend veroordelingen en meer dan duizend openbare terechtstellingen. Zestigduizend mensen gingen in ballingschap en er werden duizenden boeken verbrand. Tal van gemeenteraden werden gezuiverd.


3. Van de guerrilla van de geuzen naar de bevrijding van de Drie Provinciën 1567-76


Opstandelingen die als boschgeuzen aangeduid werden, hielden zich schuil op het land of weken uit over de grens, van waaruit ze guerrilla-acties ondernamen. Veel succes hadden ze daar niet mee. Meer succes zouden de zogeheten watergeuzen hebben. Dit waren door edelen aangevoerde ballingen, sommigen in het bezit van koopvaardij- of vissersschepen, die in Engelse, Duitse en Franse havens een kleine vloot opzetten voor het uitvoeren van guerrilla-activiteit (lees: piraterij) langs de kust der Nederlanden. Van de prins van Oranje kregen ze geloofsbrieven, zodat ze de status van strijdende partij hadden en officieel erkend konden worden door anti-Spaanse vreemde mogendheden. Want Oranje was niet alleen de grootste feodale heer van de Nederlanden en de Franche-Comté maar ook heer van het onafhankelijke vorstendom Orange in de buurt van Avignon. Als soeverein van dit vorstendom was hij van geen enkele koning of keizer een vazal. Volgens het internationale recht van die tijd was hij daarmee niet zo maar een opstandige tegen zijn koning maar een soeverein vorst met het recht oorlog te voeren tegen zijn vijand Alva, die zijn landgoederen had geconfisqueerd en zijn oudste zoon in gijzeling had genomen. Voor de opstandelingen vormde dit een diplomatieke troefkaart en om die reden vochten ze onder het banier van Oranje.

Bovendien had Oranje familiebanden met protestantse vorsten in Noord-Duitsland en onderhield hij nauwe betrekkingen met Franse hugenootse edellieden. In 1568 organiseerde hij een inval in de Lage Landen vanuit vier verschillende richtingen, met legers bestaand uit ballingen, troepen van zijn Duitse neven, hugenoten en allerhande huurlingen. Deze legertjes werden de een na de ander verslagen. Oranje raakte zijn fortuin kwijt en zat nu diep in de schulden. Zijn enig overgebleven machtsbasis waren de watergeuzen.

Om zijn overwinning te vieren had Alva in Antwerpen een enorm standbeeld van zichzelf laten oprichten; het metaal was afkomstig van kanonnen die op Oranje waren buitgemaakt. In 1570 voelde Alva zich sterk genoeg om een gedeeltelijke amnestie af te kondigen en maakte hij behoorlijke vorderingen bij de rationalisering van bestuur en wetgeving. De absolutistische staat vond nu met ijzeren vuist ingang en de Staten-Generaal stemden in met forse belastingen. Maar ze weigerden akkoord te gaan met permanente belastingen als die geïnd werden door ambtenaren van de Kroon in plaats van door comités van de Staten-Generaal. Dat zou immers neerkomen op hun eigen opheffing.

In juli 1571 besloot Alva hun weigering te negeren en begon met dwang belasting te innen. In het najaar van 1571 brak een algemene staking uit. Alle winkels en werkplaatsen gingen dicht, de handel kwam tot stilstand en er werd geen belasting afgedragen. Werkloosheid wakkerde de ontevredenheid van het volk aan.

De Oranjegezinden voelden het tij keren en voerden hun acties op. Maart 1572 werd de watergeuzen onverwachts de toegang tot Engelse havens ontzegd door de Engelse regering, na zeer zware aandrang van Spaanse diplomaten en van handelaren die veel last hadden van hun piraterij op de Noordzee. Nu zaten de watergeuzen zonder thuisbasis en na enige omzwervingen lieten ze hun oog vallen op het haventje van Den Briel, op het Zuid-Hollandse eiland Voorne. 1 april namen ze het stadje met een snelle overval in.

Op 6 april braken er in Vlissingen rellen uit waarbij de Spaanse officieren om het leven werden gebracht. 22 april opende de stad haar poorten voor de geuzen. Van april tot september sloeg er een golf van stedelijke opstanden over het hele land, die alleen voorbij ging aan enkele van de grootste steden. Patricische stadsraden die weigerden de poorten voor de geuzen te openen, werden afgezet; andere gaven toe onder druk van de bevolking. De schutterij hield zich afzijdig. In Holland en Zeeland zetten de patriciërs van de meeste steden de poorten open zonder veel tegenstand.

Op 27 augustus viel Oranje aan het hoofd van een groot leger vanuit Duitsland Brabant binnen. Zijn triomfantelijke opmars veranderde al snel in een doelloos gezwalk en zijn leger sloeg uiteindelijk op de vlucht toen Alva het gevecht voortdurend uit de weg ging en Oranje zijn soldaten niet bleek te kunnen betalen. Verslagen en achterna gezeten door het Spaanse leger nam Oranje in oktober de wijk naar het gebied van Holland en Zeeland. Naarmate het leger van de koning terrein won en het beleg sloeg rond de ene na de andere stad, raakten deze twee provincies steeds meer ingesloten.

In juli 1572 kwamen de Provinciale Staten van Holland in Dordrecht bijeen in aanwezigheid van een afgezant van de prins van Oranje, zijn eerste vertrouwensman en tekstschrijver Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde. Voor het eerst werden er nu revolutionaire besluiten genomen:
• Willem van Oranje werd als stadhouder van de provincie en als opperbevelhebber van land- en zeemacht erkend;
• men stemde in met belastingen om Oranjes troepen te betalen en om nieuwe soldaten aan te werven;
• er werd een uitvoerend bestuur gekozen, bestaande uit een permanent adviescollege (de Gecommitteerde Raad), een Raad van Financiën en een Zeeraad;
• voor alle benoemingen van officieren en functionarissen was de instemming nodig van zowel de Staten als van Oranje;
• in de hele provincie werd godsdienstvrijheid afgekondigd;
• interne heffingen werden afgeschaft.


De Staten van Zeeland en Utrecht sloten zich in 1573 en 1574 bij deze besluiten aan. Op 4 juni 1575 werd tussen de drie provincies een formele Akte van Vereniging getekend. Hoewel ze de formele soevereiniteit van Filips II bleven erkennen, was er een afzonderlijke staat ontstaan, bestaand uit twee tamelijk uitzonderlijke (en zeer op hun uitzonderlijkheid gestelde) zeeprovincies Holland en Zeeland. Met iets meer dan driehonderdduizend inwoners ging het om een heel kleine staat, maar een met republikeinse trekken, want het bestuur werd door de Staten gekozen. Toen Staatse troepen in februari 1575 eindelijk een eind maakten aan het lange beleg van Leiden, werd daar een universiteit opgericht. Na Genève was dit de tweede calvinistische universiteit van Europa waar, anders dan in de stad van Calvijn, ook katholieke studenten en hoogleraren werden toegelaten.


‘De Zwijger’


De persoonlijke rol van de prins van Oranje in de revolutie van de Nederlanden is belangrijk genoeg om er wat nader op in te gaan.

Willem van Nassau (1533 – 1584), de broer van de Duitse graaf van Nassau-Dillenburg, erfde de gebieden van de vorsten van Oranje en de heren van Chalon, die golden als de meest vooraanstaande van de Bourgondische edelen. Hij bezat onder meer de titel van markies van Vlissingen en baron van Breda en Herstal. Hij was de meest illustere figuur in de Raad van State en aan het Brusselse hof, waar hij opgroeide.

Zoals alle feodale hoge adellijken streefde hij een vooraanstaande positie na bij de koninklijke regering, die een bron van invloed en inkomsten was. Gedurende de jaren 1561-67 nam hij samen met de andere feodale heren deel aan hun manoeuvres tegen de landvoogdes, maar dit was vooral om een op handen zijnde uitbarsting te voorkomen. De bedoeling was dat hij gezien zou worden als de reddende engel van wie een beter bestuur te verwachten was en aldus aan de macht gekomen zou hij de absolutistische bureaucraten, die hem meer en meer van het landsbestuur weghielden, klein kunnen krijgen. Uit zijn medewerking aan de repressieve maatregelen van de jaren 1566-67 blijkt hoezeer hij erop uit was onrust onder het volk tegen te gaan en een oplossing te bereiken met zo min mogelijk hervormingen.

Tot aan 1572 onderscheidde zijn politiek zich in niets van die van de talloze hoge adellijken die door de eeuwen heen tegen hun koning in opstand kwamen, vaak samen met de Staten en de steden. Oranjes samenzweerderij, zijn leiderschap over troepen uit het buitenland en zijn steun aan het plebejische radicalisme tegen de hogere burgerij (zijn handelsmerk bij uitstek toen hij eenmaal een volksheld was) waren in dat opzicht niets nieuws. Het maakte allemaal deel uit van de tegenstrijdige verhoudingen tussen hoge feodale heren en de regering van de koning. Massaopstanden moesten op een of andere manier gekanaliseerd worden en konden als een nuttige sociale basis fungeren om zich te weer te stellen tegen zowel de macht van de koning als tegen de welgestelde burgers die de Staten domineerden en de rijkdom van het land in handen hadden. Maar deze ‘opstandigen’ hadden zich uiteindelijk allemaal weer met de koning verzoend ten koste van de massa ’s en de Staten.

Wat Willem van Oranje tot een uitzondering maakte, was het feit dat hij zich blijvend verbond met een groep opstandige steden en deze stap voor stap leidde naar de stichting van wat uiteindelijk een nieuwe republiek zou worden.

Uiteraard zullen zijn motieven in de loop der tijd veranderd zijn. De terechtstelling van Egmont en Horne moet voor hem een beslissende wending hebben betekend, want de weg terug was nu afgesneden. De executie was een duidelijke tactische fout die het bewind van de koning duur zou komen te staan.

Oranje was kennelijk zo onder de indruk van de kracht en de dynamische geest van de stedelijke samenleving in de Nederlanden dat hij besefte dat het gezag van de koning vermoedelijk niet te herstellen was. Een middenkoers was daarentegen wel haalbaar als de Lage Landen zich van de koning losmaakten, mits die middenkoers maatschappelijk behoudend was en het Oranje en diens adellijke medestanders mogelijk maakte hun gebied en hun status terug te krijgen. Oranje moet in 1572 van de haalbaarheid van zo’n middenweg overtuigd zijn geraakt, toen hij zag dat de opstand in Holland en Zeeland niet alleen vastberaden maar ook maatschappelijk conservatief was. Want in tegenstelling tot de grote Vlaamse steden was de opstand in deze twee provincies niet zozeer gebaseerd op een stedelijke massabeweging die zittende burgerlijke oligarchieën omverwierp als wel op de eigenzinnige opstelling van gevestigde hiërarchieën, die gestut werden door de tamelijk brede maatschappelijke consensus in de kleinere steden.

Voor de opstandige burgers en plebejers was de prins van Oranje een door de Voorzienigheid gezondene. In een tijd dat opstand tegen de eigen vorst een onvergeeflijke misstap was, kon alleen hij hen, dankzij zijn naam, bij de Europese adel iets van respectabiliteit verschaffen. Alleen hij kon diplomatieke betrekkingen aangaan, hij kon hen voor internationaal isolement behoeden en voor de nodige militaire experts en huurlingen zorgen.

Tegenover het chaotische, lokaal beperkte perspectief van de provincies en steden was zijn persoon de belichaming van centraal optreden. Plebejers konden zich op hem beroepen, terwijl hij tegelijkertijd de behoudende rijken geruststelde. Hij was de illustere voorman in een tijd dat er zonder adellijk leiderschap niets mogelijk scheen. In religieuze aangelegenheden gold Oranje als een volslagen opportunist – hij ging eerst van het katholicisme over naar het lutheranisme en vervolgens naar het calvinisme – maar tegenover het sektarisme van de calvinisten betoonde hij zich een voorstander van verdraagzaamheid ten aanzien van katholieken. Briljant politicus als hij was, verenigde hij in zijn persoon zowel de beginselvaste doorzetter als de tacticus wiens geslepenheid spreekwoordelijk was – vandaar zijn bijnaam ‘de Zwijger’. Hij manoeuvreerde tussen alle partijen door en was als eenheid stichtende kracht onmisbaar.


Het offensief van het Spaanse leger loopt vast


Vanaf oktober 1572 probeerde het Spaanse leger de omsingeling van het bevrijde gebied van Holland, Zeeland en Utrecht strakker aan te halen, maar dat werd bemoeilijkt door de talloze kreken, rivieren en plassen, die toentertijd een veel groter oppervlak bedekten dan tegenwoordig. Al naar hun uitkwam staken beide partijen dijken door om bepaalde stukken land onder water te zetten. Op deze manier konden de Oranjegezinden belegerde steden per boot te hulp komen. Oranje bezwoer dat hij in het geval van een totale nederlaag alle dijken zou laten doorsteken en met al zijn volgelingen overzee zou vluchten. De Staatsraad in Madrid had het Spaanse leger de bevoegdheid onthouden om alle dijken door te steken en het hele land blank te zetten, oordelend dat zulks op genocide zou neerkomen.

Het leger van de koning veroverde gebied terug, daarbij een spoor van zwaar geschonden steden achter zich latend. Plaatsen als Mechelen, Zutphen en Naarden moesten het ontgelden. December 1572 begon het beleg van Haarlem en de stad gaf zich in juli 1573 over na de belofte dat de verdedigers in leven zouden worden gelaten. Deze belofte werd prompt gebroken; bijna het hele garnizoen en diverse stadsmagistraten, in totaal zo’n tweeduizend mensen, werden ter dood gebracht. Dit was een politieke fout waardoor aan de herovering een eind kwam. Een golf van verontwaardiging ging over het land. Tot in de hoogste regionen van de Madrileense regering werd deze daad formeel afgekeurd, want nu zou geen enkele stad zich meer overgeven.

De politieke lijn van de koning begon ernstige slijtage te vertonen. Het bevrijde gebied bleef met succes weerstand bieden. Naarmate aan Spaanse kant het geld begon op te raken, brak er in het leger steeds vaker muiterij uit. In september 1573 werd de Spaanse commandant door een regelrechte staking van zijn troepen gedwongen het beleg van Alkmaar op te heffen. In oktober werd de zeemacht van de koning op de Zuiderzee door de watergeuzen verslagen, waarbij de admiraal van de Spanjaarden, graaf Bossu, gevangen werd genomen.

Vervolgens herhaalde zich wat er tien jaar eerder was gebeurd: de leiders van de koningsgetrouwe adel, de hertog van Aarschot en de baron van Champagney, drongen bij de regering aan op een vergevingsgezinde politiek en op onderhandelingen.

De inmiddels oude en ziekelijke Alva wilde al sinds geruime tijd van zijn positie ontheven worden. Zijn vervanging die oorspronkelijk voor september 1571 gepland was, was vanwege de opstand van ‘72 uitgesteld. In november 1573 arriveerde zijn opvolger, de Catalaanse grande don Luis de Requesens. Van deze voormalige gouverneur van het graafschap Milaan werd een meer flexibele politiek verwacht.

Ondertussen verslechterde de positie van de koning meer en meer. De opstandelingen veroverden Middelburg op 18 februari 1574 en maakten op 3 oktober van dat jaar een eind aan het beleg van Leiden. De financiële middelen van de regering in Madrid begonnen op te raken, want de oorlog slorpte gigantisch veel geld op. Alle Spaanse garnizoenen die zich nog in Holland bevonden, gingen muiten en verlieten de provincie. In september 1574 heroverden de Turken Tunis op de Spanjaarden. De Turkse marine ging over tot gevaarlijke uitvallen naar het westelijke deel van de Middellandse Zee. Filips II zag zich genoodzaakt zijn aandacht te verleggen naar de Turkse dreiging en gaf Brussel opdracht te onderhandelen.

De onderhandelingen begonnen op 3 maart 1575 in Breda. Oranje en de Staten van de drie bevrijde provincies boden aan zich aan de koning te onderwerpen op drie voorwaarden:
1. de Spaanse troepen zouden uit de Lage Landen weg moeten;
2. er zou volledige amnestie moeten komen, plus constitutionele garanties die represailles in de toekomst onmogelijk zouden maken;
3. in Holland, Zeeland en Utrecht zou gewetensvrijheid erkend moeten worden.


Requesens accepteerde de twee eerste voorwaarden maar verwierp de derde. In plaats daarvan stelde hij een gratieperiode van een half jaar voor om de protestanten in de gelegenheid te stellen hun bezittingen te verkopen en het land te verlaten.

Beseffend dat het financiële bankroet van de koning nabij was, weigerden de Oranjegezinden toe te geven. Midden juli 1575 liepen de onderhandelingen stuk. Requesens zette onmiddellijk een krachtig offensief in waarmee hij Holland van Zeeland wilde afsnijden. Het offensief had succes, maar de vloot die zilver van Amerika naar Sevilla had moeten brengen, haalde dat jaar de haven niet. De koning zat financieel volledig aan de grond. 1 september 1575 schortte Filips alle rentebetalingen over zijn gigantische schuld op. Hij verklaarde zichzelf failliet. 5 maart 1576 werd Requesens ziek en stierf. Het Spaanse leger, waarvan sommige eenheden al twee jaar niet betaald waren, sloeg massaal aan het muiten en begon door het land te zwerven op zoek naar buit, daarbij de bevolking menig angstig ogenblik bezorgend.


4. De revolutionaire crisis van 1576-78


In de Lage Landen was het gedaan met de macht van de koning. Zonder leger en zonder landvoogd verkeerde de Raad van State in het luchtledige. Er was een radicaal nieuwe situatie ontstaan. De in spoedzitting bijeen gekomen Provinciale Staten eisten toestemming voor het rekruteren van troepen om de muiters te verdrijven en wilden dat de onderhandelingen met Oranje en de drie opstandige provincies onmiddellijk hervat werden. Toen de muiters Aalst plunderden, ging de bevolking van het nabijgelegen Brussel de straat op onder het roepen van ‘Dood aan de Spanjaarden!’ en belaagde de woningen van leden van de Raad van State. De menigte werd aangevuurd door een comité van zogeheten patriottische burgers onder leiding van Liesvelt, een jurist die Egmonts advocaat was geweest. In verwarring gaf de Raad van State opdracht tot aanwerving van troepen en verklaarde de Spaanse soldaten vogelvrij.

Maar de troepen van de Staten van Brabant werden door de muiters verslagen en konden weinig meer uitrichten dan hun tegenstander van de ene plaats naar de andere te jagen. Op 4 september drong een groep gewapende Brusselse burgers onder leiding van Heeze, de tweede man van de troepen van de Staten van Brabant, bij de Raad van State binnen en arresteerde de raadslieden. Twee dagen later kwamen afgevaardigden van de Staten van Brabant en van Henegouwen in Brussel bijeen en besloten de Staten-Generaal bijeen te roepen. Hiermee gingen ze in tegen het formele verbod van de koning op onderling contact tussen Staten van verschillende provincies en eigenden ze zich een recht toe dat tot dan toe was voorbehouden aan de koning of diens vertegenwoordiger. Zo kwamen de Staten-Generaal in vergadering bijeen buiten het hof om. Sommige leiders van de Staten hadden wekenlang overlegd met Oranje, die aandrong op herstel van vrede en eenheid.

De Provinciale Staten en de Staten-Generaal namen de macht over. Wettelijk gezien was dit een opstandige macht want ze vergaderden zonder daartoe door de koning te zijn uitgenodigd en – erger nog – door middel van een militaire coup tegen de Raad van State en het leger van de koning, onder druk van het volk dat dagelijks demonstreerde. Door middel van de Staten-Generaal hadden de traditionele heersende klassen, de geestelijkheid, de adel en de gemeentelijke overheden, feitelijk de regeringsmacht overgenomen – niet omdat dit gepland was maar omdat de macht van de koning was bezweken. Het kwam erop aan gebruik te maken van de uitbarsting van het volk en deze te kanaliseren en vervolgens zo snel mogelijk tot een compromis te komen dat de traditionele orde veilig zou stellen. Dit betekende een compromis met de koning en als ‘t even kon ook met Oranje en de Staten van Holland, Zeeland en Utrecht.

Maar zelfs voordat alle provinciale afgevaardigden voor de vergadering in Brussel waren gearriveerd, was er in de Staten-Generaal een Oranjegezinde minderheid ontstaan. Die bestond uit afgevaardigden die in 1567 in ballingschap waren gedreven, sommigen maar niet allen calvinisten, en bovenal uit vertegenwoordigers van gemeenten waar het patriciaat het niet volledig voor het zeggen had. Oranje mocht dan in Holland en Zeeland verbonden zijn met de traditionele burgerlijke elites van de steden, in de grote steden van Vlaanderen, Brabant en Artois fungeerde het Oranjedom als politieke vertolking van gemeenten die middels de verwijdering van het traditionele patriciaat waren gedemocratiseerd door een meerderheid van de burgerij met steun van het plebejische volksdeel.

De Staten-Generaal eigenden zich de legitimiteit van de staatsmacht toe. Hoewel ze wettelijk alleen bijeen geroepen konden worden door de koning of diens vertegenwoordiger en hoewel hun besluiten alleen rechtsgeldig waren wanneer deze door de koning bekrachtigd waren, beslisten de Staten zelf over de vergaderfrequentie, inden ze belastingen, zetten ze een leger op en onderhandelden ze met buitenlandse mogendheden. Ze wezen de hertog van Aarschot aan tot generaal en benoemden de graaf van Lalaing tot luitenant-generaal die hun legermacht moest leiden.

Op 22 september verklaarden de Staten-Generaal de Spaanse troepen wederom vogelvrij, dit keer zowel de muiters als de loyale troepen. 7 oktober gingen er in Gent onderhandelingen van start tussen een delegatie van de Staten-Generaal en gezanten van Oranje. Men kwam op 8 november 1576 tot een overeenkomst die bekend staat onder de naam Pacificatie van Gent. Deze behelsde:
• herstel van de vrede. Iedereen diende zich tegen de Spaanse troepen te verenigen;
• uitstel van beslissingen over politieke en religieuze problemen tot de oorlog voorbij was, waarna in een zitting van de Staten-Generaal beslist zou worden over de religieuze en politieke organisatie van het hele land.


De Pacificatie van Gent werd hals over kop ondertekend nadat van een nieuwe ramp vernomen was: op 3 november hadden rondtrekkende Spaanse troepen zich rond Antwerpen samengetrokken en hadden de stad de volgende dag ingenomen. De dagenlange plundering die volgde, ging de geschiedenis in als de Spaanse Furie. Daarbij gingen duizend huizen in vlammen op en werden achtduizend mensen om hals gebracht. Terwijl de bewoners op de vlucht sloegen, verschansten de Spaanse soldaten zich bij nadering van Staatse troepen in de stad.

De haat tegen de Spanjaarden bereikte nu een hoogtepunt. De pas benoemde nieuwe landvoogd – Filips’ halfbroer don Juan van Oostenrijk, die in de slag bij Lepanto de Turken verslagen had – was zojuist in Luxemburg aangekomen en zat daar in een volslagen isolement.

Don Juan besloot hoog in te zetten. Hij stemde in met onderhandelingen, kondigde op 15 december 1576 een wapenstilstand af, wist voor de Spaanse troepen in Antwerpen een vrije aftocht richting Italië te bereiken en ging zelfs zo ver op 12 september 1577 de Pacificatie van Gent te ondertekenen.

De vrede die weerkeerde werd de vrede ‘van de graaf van Aarschot’ genoemd. De Staten-Generaal stemde erin toe don Juan in Brussel te verwelkomen – tegen de zin van de derde stand, die had gewild dat hierover eerst met Oranje overlegd zou worden. De eerste mei 1577 werd don Juan feestelijk ingehaald en officieel als landvoogd ingezworen.


De Nederlanden herenigd


Voor een voldongen feit geplaatst verlieten de afgevaardigden van de drie provincies de stad. Maar al waren de Oranjegezinden niet sterk genoeg geweest om de meerderheid van de Staten-Generaal te verhinderen tot overeenstemming met don Juan te komen, ze waren wel zo sterk dat diezelfde meerderheid er niet onderuit kwam don Juan ertoe te bewegen een compromis met de Oranjepartij te zoeken. Maar de onderhandelingen liepen vast op hetzelfde punt als in 1575 onder Requesens, namelijk de weigering van Oranje en de drie provincies om het protestantisme af te vallen. Geconfronteerd met deze impasse nam Juan op 24 juli de wijk uit Brussel en begaf zich naar Namen, vanwaar hij vroeg om de terugkeer van de Spaanse troepen. Aanvankelijk wilde de koning daar niets van weten, want hij wilde niet geloven dat een compromis onmogelijk was. De afgevaardigden van de drie provincies namen hun zetels in Brussel weer in en de Staten Generaal deden een beroep op Oranjes hulp. Op 23 september 1577, tien jaar nadat hij had moeten vluchten, keerde Willem van Oranje triomfantelijk in Brussel terug. Daar trof hij de leidende figuren van de Waalse adel aan, de mannen te midden van wie hij was opgegroeid, de Franssprekende hoge heren die aan het hof van de Bourgondische Lage Landen de toon aangaven: de hertog van Aarschot, stadhouder van Vlaanderen, de graaf van Lalaing, stadhouder van Henegouwen, diens broer de baron van Montigny, graaf Bossu, stadhouder van Gelderland en baron Champagney, de broer van kardinaal Granvelle.


1 oktober 1577 publiceerden de Brusselse Patriotten een manifest dat ze aan de Staten-Generaal aanboden. Ze eisten daarin:
• bewapening van het volk en algemene dienstplicht;
• zuivering van de regering, het bestuur, de Staten-Generaal en de Provinciale Staten;
• vernieuwing van de gemeentebesturen van de zeventien provinciën;
• verkiezing door de Staten-Generaal van twee edelen en twee gewone burgers uit iedere provincie; deze 68 personen zouden een Raad van State, een Financiële Raad en een Geheime Raad moeten gaan vormen;
• vorming van een bondgenootschap tussen de steden en stichting van een republiek naar het model van de Zwitserse confederatie; dit laatste vanwege de tirannieke neigingen van alle vorsten.


Aarschot en de Waalse grands seigneurs reageerden hierop een week later door een ‘nieuwe koning’ voor te stellen, namelijk Matthias van Habsburg (1556 – 1619), de neef van Filips II en de broer van keizer Rudolf II. Zo werd Matthias landvoogd van de Lage Landen. Hij zou de eerste, maar zeker niet de laatste, vorst van een buitenlandse grootmacht zijn die door de Nederlanden werd aangezocht, in de hoop een tegenwicht tegen Spanje te kunnen vormen. Na Matthias uit Wenen werd er een beroep gedaan op de hertog van Anjou, de broer van de Franse koning, en daarna op de Engelse koningin Elizabeth.

Hoe dit ook zij, zelfs sceptici konden zich niet veroorloven de broer van de keizer af te wijzen; die keizer was immers de opperleenheer van de Lage Landen en wenste kennelijk als bemiddelaar op te treden tussen zijn vazallen en zijn machtige neef in Madrid.


De radicalen in het offensief


De handige zet van Aarschot en zijn makkers dwong Oranje zich te richten op de democratische mobilisering die nu in de steden volop gaande was. De Brusselse Patriotten hadden een comité van Achttien opgezet, een orgaan dat toezicht moest houden op de gemeentelijke autoriteiten, maar in werkelijkheid de macht in de stad overnam. De Achttien, voornamelijk bestaand uit vertegenwoordigers van de gilden, stelden de Provinciale Staten van Brabant voor Oranje te benoemen tot ruwaard van Brabant. Deze ruwaard, wat zoveel betekent als vredeshandhaver of scheidsrechter, was een vertrouwenspersoon die de Staten van Brabant konden aanwijzen in het geval van een conflict met de hertog van Brabant. (Een en ander volgens het handvest van het hertogdom uit 1356, de zogeheten Blijde Incomste, waarop iedere nieuwe hertog bij zijn komst naar Brussel in moest zweren. Dit hoogst uitzonderlijke privilege was overigens in 1458 afgeschaft door de toenmalige hertog van Bourgondië, Filips de Goede.

De Staten van Brabant weigerden Oranje tot ruwaard te benoemen. Daarop drong een menigte Brusselaars de Statenzaal binnen, met als gevolg dat de derde stand Oranjes aanstelling wist door te drukken, onder protest van de geestelijkheid en de adel.

De Vlaamse stadhouder Aarschot meende slim te zijn en liet de Staten van zijn provincie vervolgens een motie aannemen waarin deze benoeming van een ketter werd afgekeurd. Oranje sloeg terug door de Staten-Generaal ertoe over te halen de stedelijke vrijheden van Vlaanderens grootste stad Gent te herstellen. Deze vrijheden waren in 1540, na de opstand van de stad, door Karel V afgeschaft. Op 18 oktober was bij een demonstratie van de Gentse plebejische partij geëist dat de oude rechten hersteld zouden worden. Oranje werd zo de held van Gent.

Omdat Aarschot weigerde die beslissing uit te voeren, nam de radicale Oranjegezinde partij op 28 oktober de macht in Gent over. Met medeweten van de schutterij en aan het hoofd van een menigte plebejers maakten de samenzweerders zich onder tromgeroffel van de Gildenzaal meester en arresteerden Aarschot, de bisschoppen van Brugge en Ieper, de baljuw van Gent en diverse andere aanzienlijken. Aarschot zou kort daarna op aandringen van de Staten-Generaal en van Oranje vrijgelaten worden, maar de rest bleef vastzitten. 1 november stelden de opstandigen een Comité van Achttien in en kort daarna werd een nieuw gemeentebestuur geïnstalleerd. De patriciërs werden uit de macht gezet.

De meeste leden van de Achttien waren nieuwe figuren afkomstig uit de gilden. Maar minstens drie van hen waren ooit schepen (wethouder) geweest en anderen kwamen uit families van schepenen. De mensen die de radicaal calvinistische leiding van Gent zouden gaan vormen, bestonden in feite uit de traditionele burgerlijk-plebejische oppositie van de stad. Hun drie voornaamste voormannen waren Jan van Hembyze, Peter Dathenus en Frans van de Kethulle, heer van Ryhove. Met enige verbeeldingskracht is deze groep te beschouwen als de leiding van een plebejische radicale stroming in de revolutie van de Lage Landen, die potentieel een links alternatief voor Oranjes leiderschap vormde.

Jan van Hembyze (1517 – 1584) was een patriciër die goed bekend was met het werk van de humanistische geleerden, hij sprak meerdere talen en had veel van de wereld gezien. Hij was de zoon van een eerste schepen en had evenals zijn broer Frans zelf ook verscheidene jaren als schepen gediend. Zijn zoon was in 1572 in de strijd tegen de Spanjaarden gesneuveld.

Peter Dathenus (1531 – 1588) was een calvinistische predikant en volksmenner die kort tevoren uit ballingschap was teruggekeerd. Zoals veel andere hervormers was hij een ex-priester die met een ex-non getrouwd was. Hij maakte een Nederlandse vertaling van de Psalmen en de Heidelberger Catechismus.

Ryhove was de militair van het gezelschap. Hij was de broer van een eerste schepen van Gent.

Ryhove stelde nieuwe kapiteins aan voor de Gentse schutterij. Hij benoemde de slotenmaker Mieghem, de boekbinder Gerard Netezone, de hoedenmakers Jean Bliecq en Noël Hauwel, de bontwerker Cornil Vlieghe en de kleermaker Gerard van der Meeren, waarmee hij iedereen schoffeerde die aan traditionele hiërarchische verhoudingen hechtte.

Op 29 december ontvingen de nieuwe machthebbers van Gent de prins van Oranje met veel ceremonieel vertoon. Matthias werd eindelijk op 20 januari 1578 als landvoogd van de Nederlanden ingezworen, nadat hij erin toegestemd had te zullen regeren met strikte inachtneming van de besluiten van de Staten-Generaal, in overeenstemming met de adviezen van de door dat orgaan gekozen Raad van State en van de onder druk van het volk als luitenant-generaal aangestelde Willem van Oranje. Omdat Matthias bovendien een lulletje rozewater van de eerste orde was, had hij van meet af aan vrijwel niets in te brengen. Toen de Staten-Generaal hem uiteindelijk in 1581 formeel afzette, zat hij allang weer in Wenen en was iedereen hem vergeten. (Wat overigens niet heeft verhinderd dat hij dertig jaar later, na de dood van zijn broer, tot keizer werd gekroond.)


De Waalse adel keert zich tegen de revolutie


De verkiezing van de Raad van State door de Staten-Generaal was een ingewikkelde zaak – iedere provincie en elk van de drie standen moest vertegenwoordigd zijn – en ging gepaard met het nodige getouwtrek tussen de diverse partijen. Op 20 december 1577 werden op voorstel van Champagney de vier Oranjegezinde kandidaten (Marnix voor Holland, Liesvelt voor Brabant, d ’Estembecque voor Artois en de abt van Maroilles voor Henegouwen) niet gekozen, ten gunste van oude getrouwen uit de koninklijke bureaucratie. Nadat de Brusselse Patriotten op 22 en 24 december petities hadden aangeboden, werd er een compromis bereikt, zodat de afgewezenen de 29e december zich alsnog bij de Raad van State konden voegen.

Maar 31 januari 1578 werd het leger van de Staten-Generaal bij Gembloux door het leger van de koning verslagen en werd Leuven ingenomen. Oranje, Matthias en de Staten-Generaal moesten het bedreigde Brussel ontvluchten en weken uit naar Antwerpen.

Na de nederlaag kwam de Staten-Generaal erachter dat de opperbevelhebber Lalaing, de commandant van de cavalerie Robert de Melun, de commandant van de artillerie Valentin de Pardieu en enkele andere officieren niet op het slagveld waren verschenen omdat ze in Brussel naar een bruiloft moesten. Hembyze en de Gentenaren hadden er steeds op gehamerd dat het waanzin was het militaire oppercommando volledig in handen te geven van de Waalse hoge adel. De verontwaardiging was algemeen. Lalaing werd het opperbevel ontnomen, maar zijn opvolger graaf Bossu kwam eveneens uit de Waalse hoge adel.

De Patriotten reageerden op de noodsituatie met strakkere en gedurfdere maatregelen. De Achttien van Gent voerden de dienstplicht in en gaven opdracht tot inbeslagname van kerkelijke bezittingen en het opleggen van gedwongen leningen aan priesters en aan de rijken ter bekostiging van de militaire uitgaven. De katholieke kerk moest het ontgelden vanwege haar rijkdom en omdat zij onder verdenking stond op een Spaanse overwinning te hopen.

Gewapende groepen werden naar naburige steden en dorpen gestuurd om ook daar een patriottisch gemeentebestuur aan de macht te helpen.

De Achttien van Gent en de Achttien van Brussel namen zich voor het oude veertiende-eeuwse bondgenootschap tussen de twee steden te hernieuwen, hetgeen 18 april 1578 zijn beslag kreeg.

De tegenpartij, bestaande uit de adel en de geestelijkheid en geleid door abt Jean Sarrazin, had op 7 februari in de Provinciale Staten van Artois voorgesteld op ontbinding van de Staten-Generaal aan te sturen. Begin maart deden de Staten van Artois, Henegouwen en Waals-Vlaanderen een soortgelijk voorstel en besloten geen belasting meer aan Brussel af te dragen, omdat ze vonden dat het geld gebruikt werd om de katholieke kerk te ondermijnen en om democratische experimenten door te voeren.

De Patriotten van Arras (Atrecht), onder leiding van een groep Oranjegezinde juristen waaronder Crugeol en Nicolas Gosson, reageerden met de instelling van een Comité van Vijftien dat op 7 maart 1578 de burgerij op de been bracht en verscheidene kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders arresteerde. De bisschop van Arras ontkwam en nam de wijk achter de Spaanse linies. Met de Patriotten van Sint-Omaars en andere steden sloten de Vijftien van Arras een Artesische stedenbond. Met hulp van Gentse expeditielegertjes die door heel Vlaanderen trokken, namen de Patriotten op 20 maart respectievelijk 20 juli de macht over in Brugge en Ieper. Een democratische en calvinistische opstand maakte zich ook meester van het gemeentebestuur van Amsterdam, dat tot dan toe de meest conservatieve gemeenteraad van Holland had.

Op 18 mei vonden er in Gent met goedvinden van de Achttien rellen en beeldenstormen tegen diverse kerken en kloosters plaats. De calvinistische eredienst werd nu in alle openheid gevierd, hetgeen in strijd was met de afspraken van de Pacificatie. Hembyze, die nu bijna heel Vlaanderen in handen had, stelde in Gent een Vlaamse Rekenkamer in, die los stond van de Rekenkamer der Lage Landen in het koningsgezinde Lille. 1 juli 1578 werd er een protestantse universiteit gesticht met geld dat afkomstig was van geconfisqueerde kerk- en kloosterlanderijen.

Hiermee was de democratische mobilisering tijdens de opstand in de Nederlanden op haar hoogtepunt – een mobilisering die vooral van zich deed spreken in de grootste steden in het zuiden, Vlaanderen voorop.


5. Contrarevolutie en het overleven van de revolutie, 1578 – 1590


Het betekende het breekpunt van de revolutie. De Waalse adel zag zich gesteld voor de keuze tussen het radicalisme van de plebejers en de koning en koos de koning. Daarbij had de adel niet alleen de geestelijkheid aan zijn kant, maar ook het patriciaat van veel steden. Dat gold vooral de grootste stad in het zuiden van Vlaanderen, Lille, waar nooit een plebejische of patriottische beweging voet aan de grond kreeg. Lille had een grote lakenmanufactuur, maar met een bijzonder traditionele en rigide gildeorganisatie die er in geslaagd was om stoffenproductie uit de omgeving van de stad te weren. Bovendien was Lille de zetel van de Rekenkamer van de Lage Landen, dat wil zeggen de zetel van een talrijke koninklijke bureaucratie, die zich had gemengd met het stedelijk patriciaat. Sedert juli 1578 hadden de Provinciale Staten van Artois, Henegouwen en Waals-Vlaanderen zich tegen het protestantisme verklaard en hadden de hulp ingeroepen van de jongere broer van de koning van Frankrijk, François, hertog van Anjou, die op 12 juli met een klein leger in Mons, in Henegouwen, aankwam.

Oranje zocht een compromis. In juni legden hij en zijn vrienden de Staten-Generaal een ontwerp voor een ‘godsdienstvrede’ voor: in alle provincies behalve Holland en Zeeland, die al lang de katholieke eredienst in het openbaar hadden verboden, zou de respectievelijke minderheidsgodsdienst – hier de katholieke, daar de protestantse – recht krijgen op een openbare eredienst in een ter beschikking gestelde kerk, als honderd families daarom vroegen. Alle geconfisqueerde eigendommen van de kerk zouden worden teruggegeven. De definitieve tekst werd door de Staten-Generaal op 12 juli 1578 aangenomen. Artikel 27 voorzag in het opheffen van de Comités van Achttien en Vijftien, die gemeentebesturen controleerden. Maar de godsdienstvrede werd door alle Provinciale Staten op één na verworpen: door Holland, Zeeland en Vlaanderen, die het katholicisme al hadden verboden, door de andere provincies in naam van de verdediging van het katholicisme, overal door de adel en de clerus en soms ook door de Derde Stand. Oranje hield aan en steunde – als concessie aan de Waalse adel – de kandidatuur van de hertog van Anjou voor de positie van “Beschermer en Verdediger van Belgische Vrijheden Tegen de Spaanse Tirannie”.

Hij stuurde brief na brief aan Gent en aan zijn trouwe volgeling Marnix in een poging hen ervan te overtuigen dat zij zich moesten matigen en de godsdienstvrede en Anjou moesten accepteren.


De Staten van Artois, Henegouwen en Vlaanderen keren terug tot de koning


De Waalse adel zag hierin een aanmoediging om op te treden tegen Gent. Oktober 1578 trok Montigny, die de troepen van de Staten-Generaal aanvoerde, op naar Gent zonder dat hij daartoe orders had gekregen. Hij bezette Menen, sneed de weg tussen Gent en Arras af en stuurde een ultimatum naar de Staten-Generaal: hij zou zich alleen terugtrekken als de Gentenaren weer in het gareel gebracht zouden worden. De troepen van de hertog van Anjou voegden zich bij hem en begonnen het platteland van Vlaanderen te plunderen. Een groep Vlaamse prelaten, edelen en patriciërs drong erbij hem op aan om “... een ware Gideon te zijn en hen hun bezittingen en vrijheden terug te geven”. Ze speelden in op de klachten van de soldaten, die geen soldij hadden ontvangen en noemden zich de Malcontenten. Op 17 oktober trokken de Vijftien van Arras de macht aan zich en op de 21e versloegen de troepen van de Malcontenten de commune van Arras en hingen Crugeol, Gosson en hun vrienden op. Artois, Henegouwen en Waals-Vlaanderen braken met de Staten-Generaal.

Don Juan werd ziek en stierf op 29 september 1578. Op zijn sterfbed benoemde hij zijn luitenant en neef Alessandro Farnese, zoon van Margaretha van Parma en de hertog van Parma en binnenkort zelf hertog van Parma, tot zijn opvolger. Philips II stemde in met deze keus. Alessandro Farnese (1543 – 1592) zag de kans schoon om de zuidelijke en adellijke reactie, die nu steeds meer van de Staten-Generaal vervreemd raakte, weer in het gelid te krijgen. Door een vakkundige combinatie van politieke concessies en militaire inspanningen slaagde hij erin om, tot aan zijn dood veertien jaar later, de Lage Landen voor de koning te heroveren.

6 januari 1579 sloten de Staten van Artois, Henegouwen en Waals-Vlaanderen de ‘Unie van Atrecht’ en begonnen onderhandelingen met Farnese. Het Verdrag van Atrecht van 17 mei 1579 bezegelde hun verzoening met de koning.

Toen hij de zuidelijke heersende klassen weer aan zijn kant had gekregen en het calvinistische en Oranjegezinde radicalisme bloedig had neergeslagen, leerde Farnese zijn les uit de gebeurtenissen. Sindsdien respecteerde hij scrupuleus de traditionele privileges van de provincies en vermeed in het bijzonder de legering van vreemde troepen op hun grondgebied, behalve aan het front en langs de toevoerlijnen. Hij stond protestanten zelfs toe om hun bezittingen te verkopen voordat zij in ballingschap gingen en soms zelfs om hun geloof discreet in eigen omgeving te belijden. In plaats van harde strijd gaf hij de voorkeur aan het berekende afsnijden van de economische levenslijnen van steden. En als die zich aan hem hadden overgegeven, behandelde hij ze betrekkelijk clement.

29 juni 1579 nam hij Maastricht in. Om zichzelf te beschermen gingen de Gentenaren op verzoek van de Staten-Generaal in zee met het leger van Johan Casimir, graaf van Rijnland-Palts, die financiële steun kreeg van de koningin van Engeland. Johan Casimir drong er meteen bij de Gentenaren op aan hun doelen te matigen en de godsdienstvrede te aanvaarden.


Oranje tegen de radicalen


Oranje was vastbesloten de Gentenaren te onderdrukken en de eenheid van de bezittende klassen te herstellen. Dat zou naar zijn oordeel het bewaren van de eenheid van het land mogelijk maken onder een nieuwe koning, de hertog van Anjou, die hij verwachtte makkelijk te kunnen manipuleren. Al op 15 november 1578 had Ryhove op een stormachtige bijeenkomst van de gemeenteraad van Gent geprobeerd Hembyze gearresteerd te krijgen. Hij handelde daarbij in opdracht van Oranje en had de steun van het patriciaat. Een demonstratie van het volk had deze manoeuvre verijdeld en eiste dat Ryhove en Hembyze zich zouden verzoenen. Op 2 december kwam Oranje in eigen persoon naar Gent. Hij gooide zijn volle gewicht in de schaal en 8 december kreeg hij de gemeenteraad zover dat die instemde met de godsdienstvrede en met belastingafdracht aan de Staten-Generaal, tegen de wil van Hembyze en de Achttien. Eveneens werd op 1 januari 1579 in Gent en op 6 maart 1579 in Ieper de eerste katholieke mis weer opgedragen. Op dezelfde manier werd in Antwerpen en Brussel de godsdienstvrede opgelegd. 18 juni 1579 was er een herverkiezing van de Achttien van Gent, maar door de gemeenteraad en die koos voor gematigden en niet voor Hembyzes vrienden. Vier dagen later verscheen de stadsschutterij voor de Gildenzaal en kondigde aan dat ze weigerde de nieuwe Achttien te gehoorzamen. De schutterij dwong verscheidene gematigde schepenen te vluchten en stelde een nieuw comité van Achttien samen ten gunste van Hembyze.

4 en 5 juni 1579 was erin Brussel een couppoging van edelen, die werden geleid door niemand minder dan Filips Egmont, de zoon van de martelaar, die betrekkingen had aangeknoopt met Farnese. De coup werd verijdeld door een gewapende mobilisatie van de burgers en de menigte riep de jonge Egmont op zijn vader niet te verloochenen. De verontwaardiging van de plebejers liep uit op een beeldenstorm. 29 juni viel Maastricht. De Gentenaren hadden onvermoeibaar het falen van de Staten-Generaal aan de kaak gesteld om het belegerde Maastricht te hulp te komen. Hembyze reageerde met een zuivering van Oranjegezinden uit de gemeenteraad, met een verhoging van de belastingen en met het publiekelijk verwerpen van de politiek van Oranje. Op 2 juli zond hij troepen naar Brugge om een couppoging van de adel en het patriciaat neer te slaan. Rijke burgers begonnen Gent te ontvluchten.

Oranje besloot toe te slaan. 27 juli kondigde hij in een brief aan de gemeenteraad aan dat hij naar Gent zou komen. Toen Hembyze deze brief ontving, besloot hij, vertrouwend op de schutterij en de menigte, de gemeenteraad te ontbinden en een nieuwe aan te wijzen, die zich zou verzetten tegen het geplande bezoek van Oranje. Die weigerde de nieuwe gemeenteraad te erkennen. De zaak begon te escaleren. Een middenpartij onder leiding van Ryhove kreeg aanhang in de stad: ze aanvaardde de godsdienstvrede, maar verwierp de teruggave van de geconfisqueerde eigendommen van de kerk en de clerus. Oranje kwam 18 augustus in Gent aan, knoopte banden aan met deze middenpartij en organiseerde nieuwe verkiezingen voor de gemeenteraad. De 26e sprak hij een vijandige menigte plebejers toe: hij zei dat zij geen stemrecht hadden en droeg hen op naar huis te gaan. Zij schikten zich. Hembyze en Dathenus werden verbannen en zochten hun toevlucht in het gebied van paltsgraaf Johan Casimir. Willem van Oranje had zich gekweten van zijn taak het Vlaamse plebejische radicalisme te onderdrukken. De Staten van Vlaanderen kozen hem tot stadhouder van de provincie.


De Unie van Utrecht


In juli 1578 begon men in kringen buiten Oranjes onmiddellijke omgeving aan een ander perspectief te denken: het plan voor een ‘Nadere Unie’ van de provincies, een voorstel van Jan van Nassau, de jongere broer van Oranje en stadhouder van Gelderland. Anders dan zijn broer was Jan van Nassau een overtuigd calvinist. Hij bestreed hevig de kandidatuur van de hertog van Anjou en geloofde niet in een verzoening met de Waalse edelen. Het plan voor een ‘Nadere Unie’ werd het hele najaar van 1578 bediscussieerd en had verscheidene bedoelingen: in de eerste plaats was het bedoeld als tegenwicht tegen het gebrek aan eenheid, de ruzies en het gebrek aan coördinatie van de provincies en de kwetsbaarheid en verlamming die hiervan het gevolg waren. In de tweede plaats was het bedoeld om een compromis te bewerkstelligen tussen aan de ene kant de adel en het patriciaat van Gelderland die, hoewel fel katholiek, gericht waren op Duitsland en daarom vijandig stonden tegenover de Waalse adel en aan de andere kant de bourgeoisie van Holland en Zeeland waar het calvinisme was geïnstitutionaliseerd. Tenslotte was de bedoeling om de Vlaamse calvinisten nauwer aan dit blok te binden, wat het nodig maakte om het Gentse radicalisme in te doen binden. De tekst van de Nadere Unie bevatte daarom de volgende punten:
• iedere provincie zou het vrijstaan de godsdienst naar eigen believen te organiseren, op voorwaarde dat iedereen vrijheid van godsdienst zou hebben;
• de provincies zouden elkaar verdedigen tegen hun vijanden, vooral tegen de zogeheten vertegenwoordigers van de koning;
• er zou een indirecte belasting worden geheven in de vorm van een belasting op alle koopwaar;
• geen van de provincies zou een wapenstilstand of een verdrag met een vreemde mogendheid mogen afsluiten;
• besluiten zouden moeten worden genomen door afgevaardigden van de provincies bij meerderheid (en niet meer unaniem, zoals vroeger).


Het ‘Verdrag van Eenheid, Eeuwig Bondgenootschap en Confederatie’ werd gesloten in Utrecht op 29 januari 1579. In tegenstelling tot sommige legenden was de Unie van Utrecht noch een revolutionair pact, noch een poging tot separatisme van de noordelijke provincies. Het was een tussenoplossing, die gekozen werd in een geest van consolidatie. Gent sloot zich aan op 4 februari 1579 en Hembyze en zijn volgelingen werkten actief mee en drongen er bij Brugge en Ieper op aan om zich ook aan te sluiten. Brussel en de Derde Stand van de Provinciale Staten van Brabant sloten zich in juni aan. De Unie van Utrecht verenigde ook niet uitsluitend Nederlandstaligen, want Doornik (Tournai) bleef een trouw lid van de Unie tot het eind.

Aan de andere kant weigerde Oranje vier maanden lang zich aan te sluiten om zich niet geheel af te snijden van de Waalse adel. Hij sloot zich pas op 3 mei 1579 aan, op voorwaarde dat de Unie van Utrecht de hertog van Anjou accepteerde.

In september 1579 verdeelde het college van de Unie van Utrecht de financiële lasten voor het aanwerven van een leger van honderdduizend man. Deze verdeling geeft een idee van de relatieve rijkdom van de verschillende provincies in die tijd:

Brabant 80.000 pond = 18 %
Gelderland 33.000 pond = 7,5 %
Vlaanderen 150.000 pond = 34 %
Holland/Zeeland 106.000 pond = 24 %
Utrecht 12.000 pond = 2,5 %
Friesland 24.000 pond = 5,5 %
Groningen 18.000 pond = 4 %
Overijssel 16.000 pond = 3,5 %
Drenthe 5.000 pond = 1 %


Van mei tot november 1579 werd er in Keulen een ‘internationale’ conferentie gehouden van de strijdende partijen in de Lage Landen, die bijeen was geroepen door keizer Rudolf II en die bedoeld was om vrede te bewerkstelligen door middel van een compromis. Dat mislukte ondanks een paar concessies van Filips II.


Terugtocht en omsingeling


Farnese, die over gigantische middelen beschikte en na 1582 ook over een grote Spaanse troepenmacht, begon langzaam met zijn herovering, om te beginnen in Vlaanderen en Brabant. In het voorjaar van 1580 was het gebied dat door de Staten-Generaal gecontroleerd werd, gereduceerd tot dat van de Unie van Utrecht en de twee instituties vielen in feite samen. Filips II reageerde op het mislukken van de conferentie in Keulen met het zetten van een prijs op het hoofd van Willem van Oranje (15 juni 1580). Oranje reageerde door zijn Apologie van 15 december 1580 over heel Europa te verspreiden. Dat was een opvallend politiek traktaat, dat de politiek van Spanje aanklaagde, niet alleen in de Lage Landen, maar in de hele wereld, inclusief de vervolgingen van de Moren en Joden in Spanje, de genocide op de Indianen in Amerika, etc.

De winter van 1579 – 1580 zag een van de donkerste episodes uit de Nederlandse revolutie: de boeren van Gelderland, Overijssel, Friesland, Groningen en Drenthe, die katholiek waren gebleven en die uitgeput waren door de plunderingen van de Duitse huurlingen in dienst van de Staten-Generaal, kwamen in opstand. De opstandige boeren kozen de naam ‘Desperaat’ voor hun beweging. Die werd met moeite onderdrukt door verse troepen van de Staten-Generaal, die eerst onder leiding stonden van Jan van Nassau en toen van Willem van Oranje, die persoonlijk was toegesneld.

Op 2 maart 1580 gebeurde er iets anders zeer vervelends, waarover alleen de meest naïeven zich konden verbazen: de stadhouder van Groningen, die nota bene een Waalse edelman was, Georges van Lalaing, graaf van Rennenburg, neef van de graaf van Lalaing, gaf de stad en de provincie over aan Farnese en sloot zich, net als zijn neven eerder, bij hem aan. Vanaf nu konden de Spaanse troepen een tangbeweging uitvoeren vanuit het zuidoosten en het noorden.

Het verraad van Rennenburg, die de Unie van Utrecht had ondertekend en erop had gezworen, en die bekend was als vriend van Oranje, leidde tot een golf van plebejische beeldenstormacties in Friesland, Drenthe, Overijssel, Utrecht en Brussel.


Het Plakkaat van Verlatinghe


Op 22 juli 1581 besloten de Staten-Generaal op een vergadering in Antwerpen tenslotte Filips II af te zetten en in het Placcaet van Verlatinghe verklaarden zij hem tot tiran. Dit overschaduwde alle conservatieve kenmerken van de politiek van de Staten-Generaal en was voor die tijd een ongehoorde revolutionaire daad. Zelfs koningin Elizabeth van Engeland, die protestant was en bondgenoot van de Staten-Generaal, veroordeelde categorisch deze verwerping van de soevereiniteit van haar vijand Filips II!

François, hertog van Anjou, werd uitgeroepen tot ‘soeverein van de Lage Landen’. Maar deze soeverein was met handen en voeten gebonden aan een heleboel regelingen en comités van de Staten-Generaal. Hij zou spoedig verklaren dat hij tot Matthias gemaakt was. Alle katholieke vorsten van Europa, om te beginnen zijn broer, de koning van Frankrijk, drongen er bij hem op aan deze rebellerende natie te laten vallen. 15 januari 1583 probeerde hij een coup te plegen met zijn Franse troepen. Hij nam verscheidene steden in, maar slaagde er niet in de katholieke burgers voor zich te winnen, die zich samen met de protestanten tegen hem verenigden. Ondanks twee dagen van hevige gevechten lukte het hem niet de controle over Antwerpen te verkrijgen, waar de Staten-Generaal vergaderde. Dit werd bekend als de ‘Franse Furie’. De coup van Anjou had alleen succes in een paar kleine steden in Vlaanderen, zoals Diksmuide, Duinkerken en Nieuwpoort.

Anjou was nu in de Lage Landen definitief gediscrediteerd en zijn Fransen werden alom gehaat. De Staten-Generaal leken er nu van overtuigd dat ze het wel zonder vorst konden en riepen nu een republiek naar Zwitsers model uit.

Maar tot ieders verrassing kwam Oranje tot de conclusie dat de Staten-Generaal geen andere keuze restte dan te proberen zich met de hertog van Anjou te verzoenen, omdat de steun van een grote macht, die vijandig stond tegenover Spanje, onmisbaar was. Oranje werkte zo effectief aan het te boven komen van de afschuw tegen Anjou, dat hij er uiteindelijk op 5 april 1584 in slaagde om, tegen het verzet van Gent en Utrecht in, de Staten-Generaal zover te krijgen dat zij Anjou weer als soeverein erkenden. Zij stemden hiermee in hoewel Anjou zelf op 28 juni 1583 Duinkerken en de Lage Landen had verlaten en hoewel het Franse garnizoen dat hij had achtergelaten zowel Duinkerken als Nieuwpoort aan Farnese had overgegeven!

Oranje bleef stekeblind in deze zelfmoordactie. Hij was in de ogen van vele Vlaamse en Brabantse radicalen al verdacht vanwege zijn onderdrukking van Gent en nu werd hij ook nog geassocieerd met hun haat tegen Anjou en de Fransen. Het resultaat was dat de Vlaamse plebejers in de armen van Farnese werden gedreven! En op korte termijn bracht het hen dichter bij hun katholieke landgenoten, die Anjou haatten als overweldiger.

Daar kwam nog bij het groeiende conflict tussen de Vlamingen en de Hollanders over de lucratieve handel die de Hollandse kooplieden voerden, niet alleen met het verre Spanje, maar ook met de Unie van Atrecht... en zelfs met Farnese zelf. Holland verkocht voorraden aan de Spaanse legers en het geld dat Filips II van bankiers in Genua leende om de legers van Farnese te betalen, werd geleverd door Amsterdamse bankiers. De Vlamingen eisten dat er een eind kwam aan deze handel. De Staten van Holland reageerden daarop door te stellen dat hun belangrijke financiële bijdrage aan de oorlogsinspanningen ergens vandaan moest komen en dat het geld van beslissend belang was voor het overleven van allen. Dat was een sterk argument. Maar de Vlamingen antwoordden al spoedig dat als de Hollanders zich konden verrijken door handel te drijven met Farnese, terwijl zij van honger en ellende omkwamen in hun belegerde steden, dat zij dan ook recht hadden om met Farnese te onderhandelen over het stopzetten van het bloed vergieten.

Farnese en de Waalse adel wachtten niet lang om in hun propaganda gebruik te maken van deze wijder wordende kloof tussen Oranje en de Vlaamse steden. Die werden overstroomd met arglistige koningsgezinde traktaten en vlugschriften, die zelfs krokodillentranen huilden over het feit dat Hembyze en Dathenus door Oranje verbannen waren.


De val van Gent, Brussel en Antwerpen


De Staten van Vlaanderen zetten Oranje af als stadhouder van hun provincie en, begoocheld door de prins van Chimay, zoon van de hertog van Aarschot, kozen deze als vervanger. De ambitieuze jongeling, die getrouwd was met een protestantse prinses, vertoonde zich als vrome calvinist. In deze vergiftigde atmosfeer dachten de radicale calvinisten uit Gent tenslotte dat zij een uitweg uit de impasse konden vinden door op 14 augustus 1584 Hembyze tot eerste schepen te benoemen en hem uit ballingschap terug te roepen.

Maar de militaire situatie werd meer en meer wanhopig. Het leger van honderdduizend man was nog in geen velden of wegen te bekennen. Farnese begon in oktober 1583 het beleg van Ieper. Tien maanden lang at de bevolking paarden, honden en katten en veertienduizend mensen stierven aan de pest. Na een heroïsche verdediging capituleerde Ieper op 7 april 1584. Twee weken eerder had de schone prins van Chimay zich tot het katholicisme bekeerd en had Brugge overgegeven aan de Spanjaarden. Er wachtte hem een prachtige carrière in dienst van de koning van Spanje.

Hembyze begon de kluts kwijt te raken. 8 januari 1584 stuurde Oranje, die ondanks alles onvermoeibaar het verzet was blijven organiseren, hem een hoffelijke brief, waarin hij hem uitnodigde met Ryhove samen te werken ter verdediging van Gent, dat nu op zijn beurt belegerd werd. In februari maakte Hembyze een rare draai door een aantal calvinistische schepenen af te zetten en door katholieken te vervangen. Op 23 maart kwamen de gemeenteraad en de bevolking er achter dat hun eerste schepen al sinds januari met Farnese in contact stond en dat hij hem hulp beloofd had bij de verovering van de naburige stad Dendermonde, dat toen onder gezag stond van Ryhove. De bevolking van Gent kwam in opstand tegen Hembyze en gooide hem in de gevangenis.

Oranje was al zwaar gewond geraakt bij een aanslag op 18 maart 1582. 10 juli 1584 werd hij in zijn huis in Delft vermoord door Balthasar Gerards, een man uit Franche-Comté, die onder valse voorwendselen toestemming voor een gesprek met Oranje had gekregen en die gesteund werd door de jezuïeten. In heel katholiek Europa werden heilige missen opgedragen ter herinnering aan deze afvallige. In de Lage Landen riepen de Staten-Generaal Willem van Oranje uit tot ‘Vader des Vaderlands’ en organiseerden een begrafenis met pracht en praal. In Brussel huilden de mensen in de straten.

Hembyze werd op 4 augustus 1584 op de grote markt van Gent onthoofd, maar de stad moest zich desondanks op 17 september overgeven. Farnese stelde zeer genereuze voorwaarden: de stad moest de kerk al haar bezittingen teruggeven en twee ton aan schadevergoeding betalen, maar er werd amnestie afgekondigd en de troepen van de stad mochten zich met hun wapens terugtrekken achter de linies van de Staten-Generaal en de protestantse inwoners kregen twee jaar de tijd om de stad te verlaten.

Brussel gaf zich op 10 maart 1585 over en Antwerpen op 17 augustus van hetzelfde jaar. Hun gouverneurs, oude en trouwe luitenanten van Oranje – kolonel Van Tympel in Brussel en Marnix zelf in Antwerpen – gaven zich volgens de Staten-Generaal te vroeg over. Farnese had de haven van Antwerpen geblokkeerd door de bouw van een brug over de Schelde. Nijmegen viel hetzelfde jaar door verraad van de katholieke burgers. Het Spaanse leger naderde Utrecht. Oranje was dood. De Staten-Generaal had zich al twee jaar teruggetrokken op Walcheren. De heroveringen van de koninklijke legers hadden het gebied onder hun controle min of meer gereduceerd tot het ‘bevrijde gebied’ van 1572. Was dit het einde?


Engeland in de oorlog betrokken, 1585 – 1588


Na de dood van Anjou op 10 juni 1584 had Oranje de koning van Frankrijk, Hendrik III, uitgeroepen tot soeverein, waarmee hij de Lage Landen inlijfde bij het koninkrijk Frankrijk. Maar Hendrik III weigerde het aanbod in het voorjaar van 1585.

Op dat moment waren er steeds meer conflicten tussen Spanje en Engeland in andere gebieden. En de herovering van de Nederlanden door Spanje dwongen daardoor Engeland tot deelname aan de oorlog. De Engelse economie was traditioneel verbonden met die van de Lage Landen. Engelse kooplieden deden steeds meer afbreuk aan het Spaanse handelsmonopolie op Zuid-Amerika en bedreven piraterij in het Caribisch gebied. Het Spaanse absolutisme had nieuwe financiële bronnen aangeboord in de zilvermijnen van Amerika. Het veroverde de Filippijnen en annexeerde Portugal bij z’n koloniale rijk. Spanje was de grootste Europese macht en de onderwerpende politieman van de contrarevolutie. Het had de paus beschermd en het Duitse Rijk, het had meegedaan in de Franse burgeroorlog aan de kant van de Heilige Liga tegen de hugenoten en had de Ierse rebellen gesteund en ook de Engelse katholieke samenzweerders, die koningin Elizabeth probeerden te vermoorden. Met de val van Antwerpen leek zijn heerschappij over Europa binnen bereik.

Koningin Elizabeth weigerde de soevereiniteit over de Lage Landen te aanvaarden, zoals dat was voorgesteld door de Staten-Generaal. Maar op 20 augustus 1585 ging zij ermee akkoord om een legermacht te sturen in ruil voor het gebruik van de havens van Den Briel en Vlissingen voor een periode van dertig jaar! De commandant van de legermacht was de graaf van Leicester en hij werd door de Staten-Generaal op 10 januari 1586 benoemd tot gouverneur en kapitein-generaal van de Lage Landen. Leicester probeerde een sterke uitvoerende macht te organiseren en steunde daarbij op Vlaamse en Brabantse vluchtelingen. Hij verbood alle handel met de vijand. Dat leidde tot een aanvaring met de Hollandse patriciërs. Die laatsten, onder leiding van Johan van Oldenbarnevelt (1547 – 1619), de raadspensionaris, dat wil zeggen de algemeen secretaris van de Staten van Holland, waren de sterksten. Nadat hij in september 1587 een coup had proberen te plegen, deed Leicester op 1 april 1588 afstand. De regentenpartij van Holland oefende vanaf dat moment de controle over de confederatie uit.

De Engelse koninklijke marine voerde een serie aanvallen uit op Spaanse en Caribische havens. Madrid antwoordde met de uitrusting van de Grote Armada in Lissabon en de Atlantische havens van Spanje. Het plan was om binnen te dringen in het Kanaal, een verbinding tot stand te brengen met het leger van Farnese en dat over te brengen naar Kent.

Maar op het beslissende moment (augustus 1588) verhinderden Nederlandse kapers dat de schepen van Farnese Duinkerken en Nieuwpoort konden verlaten en aanvallen van de Engelse koninklijke marine en een storm sloegen de Grote Armada uiteen en joegen die op de beroemd geworden vlucht rond Schotland en Ierland.

Dit was een nieuw keerpunt. Toen Alessandro Farnese verwikkeld raakte in de Franse burgeroorlog, waren de opstandige provincies in staat zich aan zijn greep te ontworstelen. Maurits, zoon van Willem van Oranje, een briljant opgeleide jonge officier, werd in 1588 gekozen tot stadhouder en kapitein-generaal. Hij begon met een systematische militaire hervorming en werd de belangrijkste strateeg van zijn tijd. Het leger van de Staten-Generaal rukte in het zuiden op naar Breda, dat in 1590 heroverd werd, in 1591 in het oosten naar Nijmegen en in 1594 in het noorden naar Groningen.

In 1590 gaven de Staten Generaal van de Lage Landen definitief het idee op om een soeverein aan te zoeken en riepen tenslotte de ‘Republiek van de Verenigde Provinciën van de Lage Landen’ uit.

De oorlog ging door tot 1609, putte de financiën aan beide zijden uit en verwoestte het land. In 1596 was Filips II voor de derde keer gedwongen om zich bankroet te verklaren. Toen hij in 1598 stierf, moest hij zich schikken in een gedeeltelijke autonomie ten opzichte van Madrid voor het veroverde zuiden. Hij vertrouwde dit gebied als vorstendom toe aan zijn dochter Isabella (1566 – 1633) en haar echtgenoot aartshertog Albert van Habsburg (1559 – 1621). Zij wisten een gematigd compromis te bereiken met de bezittende klassen, die in 1579 in de schoot van de moederkerk waren teruggekeerd en waren de grondleggers van het huidige België. Een niet geringe economische ontwikkeling consolideerde dit geïmproviseerde halfland in de loop van de zeventiende eeuw.


6. De Republiek van de Verenigde Provinciën

De expansie van het Nederlands kapitalisme


De andere ‘bevrijde’ helft van de Lage Landen was, hoewel die maar een half zo grote bevolking had (1,5 miljoen in 1600), heel andere koek. De Republiek van de Verenigde Provincies was niet zomaar een nieuwe republiek in Europa, na Venetië, Genève en Zwitserland. Zelfs al was het een revolutionaire schepping, waarvan het leven aan een zijden draad hing, het was toch al een grote economische, militaire, maritieme en koloniale macht.

De kleine steden van Holland en Zeeland groeiden uit hun voegen door de toestroom van vluchtelingen uit het zuiden, want meer dan honderdduizend mensen vluchtten uit Vlaanderen, Brabant en Artois (veel vluchtelingen spraken Frans en Frans bleef samen met Nederlands lange tijd de officiële taal van de republiek). De meeste vluchtelingen kwamen voort uit een specifieke laag van de zuidelijke elite: ambachtslieden en fabrikanten uit Vlaanderen, kooplieden en bankiers uit Antwerpen, honderden drukkers, onderwijzers en predikers. Veel Vlaamse kleermakers en lakenhandelaren streken neer in de omgeving van Utrecht en Leiden. De mensen uit Hondschoote, dat met de grond gelijk was gemaakt, brachten hun ‘nieuwe draperieën’ naar Leiden en brachten daar welvaart. De toestroom van gevluchte ambachtslieden ondermijnde het gildesysteem in Holland en effende de weg voor de concentratie van kapitaal door ondernemers.

Toen het heroverde Antwerpen geruïneerd was, haar bevolking tot de helft was teruggebracht en haar toegang tot de zee geblokkeerd werd door de frontlijn, die stroomafwaarts van de haven over de Schelde liep, nam Amsterdam, waar de grote Antwerpse firma ’s hun toevlucht hadden gezocht, haar plaats als commerciële en financiële metropool van Noord-Europa over. Tussen 1590 en 1639 werden 80.000 hectaren landbouwgrond terugveroverd op de zee. De Nederlandse koopvaardijvloot was de grootste in Europa en nam in korte tijd ook een toppositie in het Middellandse Zeegebied in. De Verenigde Oost-Indische Compagnie werd in 1602 in Amsterdam gevestigd, de Bank van Amsterdam in 1609. Beide waren grote vennootschappen. Java werd veroverd in 1596, Ceylon in 1609, Formosa in 1624, de Kaap in 1652. Batavia, het huidige Jakarta, werd gebouwd op de ruïnes van het oude Jakatra in 1609. Nederlandse kooplieden vestigden zich op een kunstmatig eiland in de haven van Nagasaki en verkregen een handelsmonopolie op Japan. In 1617 kon de Republiek zich zelfs de luxe permitteren een strijdmacht te sturen naar Venetië, om dat te beschermen tegen de keizer en Spanje.

In 1609 werd er een onvoorwaardelijk 12-jarigbestand gesloten met de koning van Spanje. De nieuwe republiek kreeg onmiddellijk diplomatieke erkenning van Frankrijk, Engeland en Venetië.

Toen het bestand begon af te lopen, woedde de Dertigjarige Oorlog (1619 – 1648) door Europa. In de oorlog stonden de twee takken van de Habsburgers (Madrid bewapende Wenen) tegenover een breed scala vijanden: de Tsjechen, de Duitse protestantse vorsten, de Republiek van de Verenigde Provinciën, de Republiek Venetië en de Zweedse, Deense en Franse absolute monarchieën. Keer op keer leken de Habsburgers op het punt te staan de overwinning te behalen. Maar de Verenigde Provinciën financierden al hun bondgenoten. Zij bediscussieerden zelfs de mogelijkheid om een vloot naar Peru te sturen om de Inca ’s in opstand te brengen tegen hun Spaanse meesters. Maar ze gaven er de voorkeur aan Brazilië te veroveren en zijn suikerplantages.

Na een ernstige economische achteruitgang en nadat het tussen 1640 en 1647 ondermijnd was door revoluties in Portugal, Catalonië, Napels en Sicilië, kon Spanje haar enorme militaire verplichtingen over de hele wereld niet meer voldoen en zocht het vrede. Het Franse absolutisme, de nieuwe leider van de anti-Habsburgse coalitie, kwam naar voren als nieuwe kandidaat voor de Europese hegemonie. Paradoxaal genoeg dwong de Franse bedreiging Spanje nu tot het zoeken van een bondgenootschap met de Verenigde Provinciën om de Spaanse Lage Landen, het tegenwoordige België, te verdedigen tegen de hebzucht van Frankrijk. In de daarop volgende decennia veroverde Frankrijk Artois (Arras), delen van Vlaanderen, (Lille, Duinkerken) en Luxemburg. Tijdens de Dertigjarige Oorlog hadden de legers van de Verenigde Provinciën ’s-Hertogenbosch en Maastricht heroverd. Tot op de dag van vandaag ligt de grens tussen Nederland en België in wezen nog op de frontlijn van 1648.

Van 1643 tot 1648 werden in Osnabruck en Munster internationale conferenties georganiseerd om Europa te organiseren in het licht van de nieuwe krachtsverhoudingen na de nederlaag van Spanje en die resulteerden in de vrede van Westfalen. Met het verdrag van Munster erkende Spanje tenslotte op 30 januari 1648 de onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Provinciën. Daarmee kwam een eind aan 80 jaar oorlog en revolutie.


De Gouden Eeuw van de Republiek


Tot aan de Franse Revolutie van 1789 werd de Republiek der Verenigde Provinciën bewonderd door progressieve Europese denkers. In de achttiende eeuw oriënteerde de filosofen van de Verlichting zich erop, want het was een republiek (natuurlijk een oligarchische, maar hoe democratisch waren de kringen van de Verlichting?), een zeer welvarende republiek, met een ongebruikelijke diversiteit en verdraagzaamheid op religieus gebied. Die diversiteit en verdraagzaamheid strekte zich zelfs uit tot de katholieken, die een derde van de bevolking uitmaakten en op het platteland meer dan de helft (de religieuze spreiding was per regio sterk verschillend) en was een hemel voor Joden, vooral die uit Spanje en Portugal, met een ongekende vrijheid van pers en uitgeverij.

De zeventiende eeuw was de Gouden Eeuw van de Verenigde Provinciën, die vooraan stonden in de Europese cultuur en wetenschap. Haar prestaties worden herinnerd in namen als Simon Stevin (1548 – 1620), een ingenieur en wiskundige, die adviseur van Maurits van Oranje was; Hugo de Groot (1583 – 1645), jurist en grondlegger van het internationaal recht; Christiaan Huygens (1629 – 1695), de natuurkundige die het slingeruurwerk uitvond, de ringen van Saturnus ontdekte, de afstand van de sterren bestudeerde en de lichtbreking, Leeuwenhoek (1632 – 1677), uitvinder van de microscoop en microbioloog; de grote filosoof Baruch Spinoza (1632 – 1677), een Spaanse Jood; Jan Swammerdam (1637 – 1680), anatoom en natuuronderzoeker; Zacharias Jansz van Middelburg, die de telescoop perfectioneerde, wat het Galileo (1564 – 1642) mogelijk maakte de manen van Jupiter te ontdekken.

De universiteit van Leiden stond in het middelpunt van deze intellectuele bloei. Bezoekers stroomden toe vanuit heel Europa. De Verenigde Provinciën vormden een toevluchtsoord voor denkers, die door de censors en politie van absolutistische koninkrijken verbannen waren: de Fransen René Descartes (1596 – 1650) en Pierre Bayle (1647 – 1706) en de Tsjech Jan Comenius (Jan Komensky 1592 – 1671). Tot aan de Franse Revolutie van 1789 publiceerden de drukkerijen van de Verenigde Provinciën de kleinere en grotere literatuur die in alle landen van Europa verboden was.


7. De partijstrijd in de republiek (1590 – 1747)


Maurits van Oranje was als stadhouder in 1625 opgevolgd door zijn broer Frederik Hendrik (1584 – 1647). De prinsen van Oranje koesterden zich in de uitstraling van de aartsvader en volgden elkaar van vader op zoon op. Zij ontwikkelden zich zo tot een echte dynastie, die later in bezit kwam van de troon in Nederland. Maar regeerde de prins van Oranje, de stadhouder, ook over de Republiek der Verenigde Provinciën?

De werkelijkheid was ingewikkelder. De prins van Oranje was magistraat van de hele republiek, alleen als gekozen kapitein-generaal van de legers van de Staten-Generaal. Daarenboven was hij stadhouder van enkele provincies: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel; formeel op dezelfde manier als toen de stadhouder, zoals de naam al aangeeft, de koning vertegenwoordigde. Maar nu was hij gekozen door de Provinciale Staten. In sommige periodes was een van zijn neven stadhouder van Friesland en Groningen. Volgens de wet was hij daarom niet meer dan een gekozen magistraat, ondergeschikt aan de Provinciale Staten en de Staten-Generaal. In werkelijkheid beschikte hij in sommige tijden bijna over dictatoriale macht: door zijn controle over de gewapende macht, door zijn macht om mensen te benoemen, door patronage en invloed, de rijkdom van zijn familie en internationale connecties en omdat hij aan het hoofd stond van een partij. Bijna twee eeuwen lang draaide de politiek van de republiek om een permanente strijd tussen twee partijen:
• de partij van de stedelijke patriciërs, vooral die van Holland, wat verreweg de rijkste provincie was. Dit was de partij van de “regenten”: republikeins, voor decentralisatie, hartstochtelijk gehecht aan de voorrechten en privileges van de steden, Provinciale Staten en de Staten Generaal en gericht op de belangen van de handel en banken;
• de Oranjegezinde partij, de partij van de adel, maar ook van de plebejers, van de vluchtelingen uit het zuiden: voor centralisatie, gericht op de herovering van België, maar ook populistisch en verlangend naar een hervorming van de lokale overheid, voor meer gelijkheid in de belastingen en voor steun aan de gilden tegen de patriciërs. In religieuze zaken begunstigde de partij van de regenten een open tolerant calvinisme en kwamen de Oranjegezinden op voor een puristisch en autoritair calvinisme.


Het stadhouderschap was zonder twijfel een instelling die sterk verschilde van de Europese monarchieën, een soort presidentschap van de republiek, dat geïmproviseerd was op basis van prerevolutionaire instellingen. Maar naarmate het erfelijk werd binnen een vorstelijke familie, was het stadhouderschap – in de vorm van een tendens tot monarchale restauratie – ook een uitdrukking van de aanpassing van een geïsoleerde burgerlijke republiek aan de absolutistische omgeving van het Europa van die tijd.

Toch kon gedurende twee eeuwen een prins van Oranje deze functies niet zomaar erven zoals een koning; hij moest gekozen worden en hij moest dat voor elkaar krijgen als demagogische leider van een volkspartij. Twee keer slaagde de regentenpartij erin het stadhouderschap af te schaffen en de familie Oranje op te sluiten in het weelderig leven van rijke individuen: van 1651 tot 1672 en van 1702 tot 1747. Twee keer werd het stadhouderschap weer hersteld toen een buitenlandse invasie, dit keer van Frankrijk, het land bedreigde.

Toen Willem IV van Oranje in 1747 aan de macht kwam, liet hij het democratisch hervormingsprogram van de plebejische beweging die zijn verkiezing had afgedwongen, snel vallen. In plaats van het democratiseren van het stedelijk bestuur, zuiverde hij het alleen van de meest corrupte regenten. Hij stelde niet opnieuw de ambachtsgilden in en in plaats van de indirecte belastingen te vervangen door een persoonlijke belasting op weelde, deed hij alleen de belastinginners aan de kant. Oranjegezinden en Regenten verzoenden zich tenslotte in de solidariteit van de rijken.


8. De ontwikkeling van de burgerlijke democratie in de Nederlanden na 1776


In de twee eeuwen na het begin van de Tachtigjarige Oorlog was West-Europa grondig veranderd door een ongekende expansie van de kapitalistische economie, door nieuwe landbouwmethodes en door het begin van de industriële revolutie. De tijd dat de roep om politieke en culturele verandering geformuleerd werd in religieuze termen was al lang voorbij. Die werd nu uitgedrukt in de strikt seculiere en rationalistische taal van de Verlichtingsfilosofen. De oude Republiek van de Verenigde Provinciën kreeg te kampen met een relatieve economische neergang. Bij de geboorte van de Republiek hadden haar gedurfde vernieuwingen schandaal veroorzaakt. Maar was ze aan het eind van de achttiende eeuw zo verschillend van de gevestigde Europese orde met haar privileges en absolutisme, die de Franse revolutie omver zou werpen?

De Nederlandse democratische plebejische partij zou nooit meer Oranjegezind zijn. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd een derde partij opgericht door verlichte intellectuelen, zowel uit de burgerij als uit de adel, die onder invloed van de Verlichting braken met de Regentenpartij. Deze partij kwam op voor een uitbreiding van het stemrecht op gemeentelijk en provinciaal niveau en streed voor de afschaffing van het stadhouderschap. Dat was de Patriottenpartij. Toen de Verenigde Provinciën in 1776 de Amerikaanse revolutie hielpen, maakten de Patriotten van de gelegenheid gebruik door een perscampagne op touw te zetten en bijeenkomsten te organiseren en zelfs ongeregelde gewapende eenheden. Ze veroverden de controle over heel wat steden en in 1785 stelden zij een grondwet voor, die geïnspireerd was op die van de Verenigde Staten van Amerika. De Prins van Oranje (Willem V, 1748 – 1806) moest vluchten, maar in 1787 bezette het leger van zijn zwager, de koning van Pruisen, het land en bracht hem weer aan de macht.

De Patriotten werden verbannen. Ze keerden terug in 1795 met de legers van de Franse Revolutie en werden de jacobijnen van de Bataafse Republiek. Maar de Thermidor had zich al voltrokken en net toen de linkervleugel van de Patriotten in 1798 op het punt stond om algemeen stemrecht in de grondwet van de Bataafse Republiek te krijgen, riep het Directoraat van de Franse Republiek een halt toe aan dit proces. Na de val van Napoleon in 1814 maakte de alliantie die gewonnen had de Prins van Oranje koning van de Lage Landen (Willem I, 1772 – 1843). Dit waren niet meer dezelfde Lage Landen als voorheen. De wet op het onroerend goed was gezuiverd van feodale overblijfselen en het onderwijs en het bestuur was gereorganiseerd naar Frans voorbeeld. De dienstplicht was ingevoerd en het Napoleontisch Burgerlijk Wetboek. Dit waren de klassieke veranderingen die waren ingevoerd in de landen die sterk door de Franse Revolutie waren beïnvloed: Piemont-Savoie, Zwitserland, België, Nederland en het Rijnland. Willem I voerde een autoritaire constitutionele monarchie in met een restrictief censuskiesrecht, dat voortaan het algemene patroon van West-Europa volgde. Het Congres van Wenen herenigde in 1815 de Lage Landen door Nederland en België samen te voegen. Maar twee eeuwen scheiding hadden teveel verschillende belangen doen uitkristalliseren. België kwam in 1830 in opstand en verkreeg zijn afscheiding. Toen Europa op zijn grondvesten schudde door de revoluties van 1848, wisten de Nederlandse liberalen rustig toegang tot de regering te krijgen en een minder restrictieve grondwet door te voeren. Maar het algemeen kiesrecht werd net als elders pas verworven door de druk van de arbeidersbeweging. In 1887 was er een eerste uitbreiding van het kiesrecht, waardoor het aantal stemgerechtigden toenam van 100.000 tot 350.000. Algemeen kiesrecht voor mannen werd bereikt in 1918 en vrouwen kregen stemrecht in 1922. De hervorming ging gepaard met godsdienstkwesties, die een verre echo waren van de revolutie uit de zestiende eeuw. De industrialisatie en de uittocht uit het platteland hadden de traditionele katholieke boer veranderd in een arbeider. Stemrecht voor de arbeiders betekende een uitbreiding van het stemrecht voor katholieken. Vandaar de rigide reactie van verscheidene varianten calvinistische conservatieven en de veelheid van religieuze burgerlijke partijen in Nederland tot vandaag de dag.

Het Nederlandse parlement heet nog steeds de Staten-Generaal. En de revolutie van 1566 – 1648 wordt nog steeds officieel gevierd als de geboorte van de natie.