Sabine Kraus

Pensioen in Nederland


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, 1994, najaar, (nr. 51), jg. 38
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA

       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Van oudjes, bejaarden, senioren en andere grijze panters


In de Nederlandse publieke opinie zijn ouderen arm. Sommige politici proberen te benadrukken dat er ook rijke ouderen zijn, maar dat is geen populair idee. Bij de laatste verkiezingen kregen twee speciale ouderenpartijen ineens samen zes zetels in de Tweede Kamer, vooral dankzij het feit dat bestaande partijen de AOW (het wettelijk basispensioen) niet wilden vrijwaren van bezuinigingen. Met name het CDA, met traditioneel veel aanhang onder ouderen, moest het ontgelden. Het feit dat CDA-lijsttrekker Brinkman inmiddels het veld heeft moeten ruimen komt voor een groot deel doordat de partij achteraf niet gelukkig is met zijn ‘presentatie’ van de plannen met de AOW. Op de plannen zelf komt het CDA overigens niet terug, evenmin als de drie huidige regeringspartijen. In het regeerakkoord ligt vast dat de koppeling (van minimumuitkering aan de loonontwikkeling) voorlopig niet doorgaat. Dat treft de AOW evenzeer als alle andere uitkeringen. Voor de regering is dat een lastige boodschap, gezien de opstand onder ouderen. En de retoriek die men voor andere uitkeringen gebruikt (“de uitkeringen gaan wel omlaag maar het is in jullie eigen belang want daardoor komt er meer werkgelegenheid en dan kunnen jullie allemaal aan het werk”) gaat voor mensen van 65 en ouder niet op. Er wordt daarom een belastingmaatregel aangekondigd om de allerarmste ouderen iets te ontzien, maar dat zal geen volledige compensatie zijn voor het schrappen van de koppeling.

In Nederland moeten ouderen kortom weldegelijk flink inleveren. Hier bestaat dan ook niet het beeld dat ouderen als enigen gespaard blijven, zoals Frank Slegers dat in zijn artikel, over België beschrijft. Dat komt onder andere door het heel andere pensioensysteem. Elke Nederlandse 65plusser krijgt namelijk AOW. Veel bejaarden krijgen bovenop hun AOW nog een aanvullend pensioen dat ze met hun betaalde werk hebben opgebouwd, maar als de AOW omlaag gaat merken ook zij dat meestal weldegelijk.

AOW krijgt iedereen, ongeacht geslacht, nationaliteit, of inkomen. Je bouwt AOW-rechten op van je 15e tot je 65e jaar, ook als je geen betaald werk hebt. Dat is dan weer het voordeel van het Nederlandse systeem voor bijvoorbeeld vrouwen die niet veel betaald gewerkt hebben. De enige vereiste voor AOW-opbouw is dat je in Nederland woont; migranten die bijvoorbeeld op hun 35e hier komen wonen missen 20 jaar AOW-opbouw.

Een aanvullend pensioen op de AOW krijgt lang niet iedereen. Het (aanvullend) pensioen bouw je op middels je betaalde werk, dus zonder baan geen pensioenopbouw. Maar ook mét baan bouwt lang niet iedereen pensioen op. Uit onderzoek door de Pensioenkamer bleek dat in 1987 zo’n 650.000 werknemers geen pensioen opbouwden, waarvan 386.000 vrouwen (gezien het feit dat er veel minder vrouwelijke dan mannelijke werknemers zijn, betekent dit dat vrouwelijke werknemers een viermaal zo grote kans lopen om geen pensioen op te bouwen). Dat vrouwen vaker geen pensioen opbouwen komt door discriminerende pensioenregelingen. Veel werknemers bouwen ook geen pensioen op omdat hun inkomen onder de inkomensgrens ligt. En tenslotte zijn er veel werkgevers waar helemaal geen pensioenregeling geldt; er is nog altijd geen wettelijke pensioenplicht, hoewel de PvdA jarenlang heeft geprobeerd hiervoor een meerderheid in het parlement te vinden.

Problemen met regelingen


Er zijn zo’n 20.000 verschillende pensioenregelingen, maar verreweg de meeste werken als volgt. Wie 40 jaar bij dezelfde werkgever blijft, moet in theorie een totaalpensioen krijgen van 70 % van het laatstverdiende loon. Dat is dan dus de AOW plus het aanvullend pensioen bij elkaar. Je bouwt het aanvullend pensioen op van je 25e tot je 65e, elk jaar dus 1/40e deel.

De AOW wordt, zoals dat heet “ingebouwd” in het totale pensioen, dus bij de berekening van je recht op aanvullend pensioen wordt ervan uitgegaan dat je in elk geval al je AOW hebt. Deze gedachte wordt ook vertaald in de premiebetaling; voor de pensioenpremie geldt een inkomensgrens, de “franchise”. Over het inkomen beneden deze grens wordt geen premie betaald, omdat dit inkomen als het ware al voor pensioen verzekerd is middels de AOW. Maar er schuilt een addertje onder het gras. Want hoe hoog is die AOW die men in aanmerking neemt bij de berekening van deze franchise? Dat verschilt per pensioenregeling, maar meestal gaat men uit van een AOW van 70 % of 100 % van het minimumloon. Maar dat krijgen veel mensen in werkelijkheid niet. Alleenstaanden krijgen 70 % AOW, en samenwonenden of gehuwden krijgen 50 % (per persoon). Stel dat nu bijvoorbeeld beide echtgenoten betaald gewerkt hebben en beiden hebben ook aanvullend pensioen opgebouwd. Dan kan het gebeuren dat bij beide aanvullende pensioenen 70 % of 100 % AOW wordt ingebouwd, terwijl ze beiden maar 50 % AOW ontvangen. Dit echtpaar krijgt dus bij pensionering te maken met een enorme inkomensachteruitgang. Dit probleem heet het “tweeverdienersgat”, en naarmate er ook in de oudere generaties meer tweeverdieners komen, komt het probleem steeds meer naar voren.

Een ander punt dat de laatste tijd ter discussie staat is het ‘eindloonsysteem’. In de meeste pensioenregelingen is je aanvullend pensioen gebaseerd op het loon dat je in de periode kort voor je pensionering verdiende. Een andere vorm is het ‘middelloonsysteem’, waarbij je pensioen is gebaseerd op het gemiddelde salaris over je totale loopbaan. Meestal stijgt iemands loon gedurende zijn loopbaan, dus een eindloonsysteem leidt tot een hoger pensioen dan een middelloon. Maar dat eindloonpensioen moet natuurlijk wel ergens uit worden betaald. En het komt erop neer dat in het eindloonsysteem degenen met een geringe carrière flink meebetalen aan het hoge pensioen van degenen met een goede carrière. Degene met de goede carrière heeft immers gedurende het begin van zijn loopbaan evenveel premie betaald als de anderen, maar krijgt met terugwerkende kracht een pensioen over het salaris dat hij alleen aan het eind van zijn loopbaan had. De vakbeweging staat pal achter het eindloonsysteem, en noemt dit een vorm van ‘solidariteit’. Het is echter wel solidariteit van de zwakkeren met de sterkeren. Vanuit de vrouwenbeweging wordt het eindloonsysteem daarom ter discussie gesteld. Vrouwen maken immers vaak minder carrière dan mannen.

Vrouwendiscriminatie


Tot 1990 bevatten de meeste pensioenregelingen bepalingen die vrouwen discrimineerden. Op 17 mei 1990 deed het Europese Hof van Justitie een uitspraak die daaraan een eind maakte, het geruchtmakende ‘Barber-arrest’. Pensioen is een vorm van loon, aldus het Hof van Justitie. En gelijk loon voor mannen en vrouwen is al lang verplicht, dus gelijke pensioenopbouw ook.

Het klinkt logisch en feministische juristen beweerden dit dan ook al vele jaren. Maar pas door het Barber-arrest werden ook de pensioenfondsen en regeringen in Europa wakker. Er ontstond grote paniek, want bijna alle systemen kenden grote verschillen tussen mannen en vrouwen.

In veel landen is het probleem vooral dat vrouwen een paar jaar eerder met pensioen mochten dan mannen. Niet zo gek, gezien de dubbele belasting die vrouwen hebben als ze betaald werk met hun zorgtaken thuis moeten combineren. (Historisch is echter een belangrijker reden voor de jongere pensioenleeftijd, dat vrouwen vaak gehuwd zijn met een man die een paar jaar ouder is. Als hij met pensioen is, is het niet leuk wanneer zij nog moet werken...) De vrouwenbeweging in deze landen is dus helemaal niet blij met de Barber-uitspraak en probeert te zorgen dat deze zo min mogelijk gevolgen heeft.

In Nederland ligt de situatie heel anders. Er zijn wel wat bedrijven waar de pensioenleeftijd voor vrouwen lager is, en daar spelen dus dezelfde problemen als elders in Europa. Maar de meeste verschillen tussen mannen en vrouwen op pensioengebied zijn hier juist zeer nadelig voor vrouwen. Tot 1990 kenden veel pensioenregelingen een totale uitsluiting van vrouwen. In andere regelingen werden gehuwde vrouwen uitgesloten, en/of deeltijdwerkers (ook vooral vrouwen natuurlijk). Of mannelijke werknemers hadden vanaf hun 25e recht op pensioenopbouw en vrouwen pas vanaf hun 30e. In Nederland is de vrouwenbeweging dus juist van mening dat de Barber-uitspraak zoveel mogelijk gevolgen moet hebben.

Dat er minstens gelijke pensioenopbouw moet zijn vanaf 17 mei 1990, daarover is iedereen het wel eens. Bijna alle pensioenreglementen zijn inmiddels aangepast. De discussie gaat vooral over de mate van terugwerkende kracht. Want als er pas vanaf de Barber-uitspraak in 1990 gelijke pensioenopbouw moet zijn, dan blijven veel vrouwen zitten met de gevolgen van alle jaren vóór 1990 waarin ze ten onrechte geen pensioen opbouwden. De Barber-uitspraak zelf was niet duidelijk over de juridische terugwerkende kracht. De Nederlandse regering stond meteen op de bres voor de pensioenfondsen en zorgde ervoor dat bij het verdrag van Maastricht een protocol werd aangenomen waarin stond dat er geen terugwerkende kracht zou zijn. Volgens de pensioenfondsen zou het hun anders wel eens 120 miljard gulden kunnen gaan kosten! Later bleek dat dit bedrag bijna helemaal zou gaan naar mannen, bijvoorbeeld omdat zij alsnog aanspraak zouden kunnen maken op een weduwnaarspensioen. Voor de gelijke behandeling van vrouwen zouden de kosten 3 tot 5 miljard zijn. Het lijkt misschien veel, maar het is maar 1 % van het totale Nederlandse pensioenvermogen.

Het Europese Hof van Justitie heeft inmiddels een eind gemaakt aan de financiële angsten voor gelijke behandeling van mannen. Het recht op weduwnaarspensioen is er bijvoorbeeld wel, maar niet met terugwerkende kracht vóór 1990. Het wachten is nu op uitspraken over de terugwerkende kracht van de gelijke behandeling van vrouwen en deeltijdwerkers. Niet toevallig gaat het daarbij om twee Nederlandse zaken; de zaken van mevrouw Vroege en mevrouw Fisscher. Uit die uitspraken moet duidelijk worden hoeveel terugwerkende kracht de gelijke behandeling van vrouwen verplicht heeft.

Los van deze juridische methode, ligt er nog een ijzer in het vuur. Toen er namelijk politiek nog werd gedacht over invoering van een wettelijke pensioenplicht, is er een fonds in het leven geroepen om de terugwerkende kracht daarvan te financieren (het FVP, Fonds Voorheffing Pensioenverzekering). De pensioenplicht is voorlopig helaas van de baan, maar in het FVP zit wel een kapitaal van ongeveer vier miljard gulden. De Tweede Kamer heeft, onder druk van de vrouwenbeweging, het idee omarmt om uit het FVP een subsidie te geven aan pensioenfondsen die “vrijwillig” met terugwerkende kracht de gaten in vrouwenpensioenen repareren. Het FVP wordt echter beheerd door sociale partners, en die zitten nu te piekeren of ze meer moeten gaan geven dan de kleine subsidie van 50 miljoen totaal die men eerst in gedachten had. Sociale partners voelen hierbij niet alleen de hete adem van de Tweede Kamer in de nek, maar ook die van het Hof van Justitie. De Tweede Kamer liet weten geen genoegen te nemen met het aanvankelijke voorstel van 50 miljoen. En wat het Hof betreft: de advocaat-generaal adviseerde in de zaken Vroege en Fisscher terugwerkende kracht toe te kennen. Dit ongeacht het protocol van Maastricht. En is het dan niet beter “vrijwillig” te repareren met subsidie, dan dat je door de rechter gedwongen wordt?

Financiering


De financiering van pensioenen in Nederland werkt als volgt.
De AOW wordt betaald via een omslagsysteem. Iedereen die een inkomen heeft betaalt AOW-premie en daaruit worden de lopende AOW-uitkeringen betaald.

Het aanvullend pensioen wordt betaald via een opbouwsysteem. Wie middels betaald werk pensioen opbouwt, betaalt premie (meestal heet het dat de werknemer een deel betaalt uit zijn brutoloon en dat de werkgever de rest van de premie betaalt). De premie wordt door het pensioenfonds belegd. Pensioenfondsen zijn dus zeer grote beleggers. Het totale pensioenvermogen bedroeg eind 1992 500 miljard gulden. Daardoor hebben de pensioenfondsen heel wat invloed. Als de politiek iets op pensioengebied wil, en de pensioenfondsen voelen er niet voor, hangt er achter de schermen meteen een dreiging in de lucht (als jullie dat doen, trekken wij ons geld terug uit de beleggingen voor de woningbouw).

We hebben dus een gemengd stelsel; gedeeltelijk wordt de oudedagsvoorziening middels omslag betaald, gedeeltelijk middels opbouw.

Het verschijnsel van vergrijzing en ontgroening bestaat ook in Nederland. In 2035 verwacht men tweemaal zoveel 65plussers als nu, terwijl het aantal jongeren daalt. Een kwart van de bevolking zal dan ouder dan 65 zijn. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid publiceerde vorig jaar een rapport waarin wordt gesteld dat ouderen langer moeten blijven meedraaien in het arbeidsproces. De vervroegde uittreding (VUT) moet worden afgeschaft, en de AOW-leeftijd van 65 jaar moet ter discussie worden gesteld. Dat laatste is tot op heden politiek nog onbespreekbaar, maar met afschaffing van de VUT is bij de cao-onderhandelingen al een begin gemaakt.

Vlaams-Nederlands pensioenwoordenlijstje
DEPENDENTIERATIO: ratio actieven/inactieven
EXTRALEGAAL PENSIOEN: bovenwettelijk pensioen, aanvullend pensioen
KAPITALISATIESTELSEL: opbouwstelsel
REPARTITIESTELSEL: omslagstelsel
SOCIO-VITAAL MINIMUM: sociaal minimum